Kennisbank

Holding per vennoot: wanneer is dit fiscaal zinvol?

Elke vennoot een eigen holding boven de werkmaatschappij. Wanneer loont dat fiscaal en juridisch?

HH
Hussain Hussain · Fiscalist · Ex-EY & Deloitte
Bijgewerkt: juni 2026

Bij een vof met twee of meer vennoten die de stap naar een B.V. zetten, duikt vrijwel altijd dezelfde vraag op: moet elke vennoot een eigen holding oprichten, of is een directe aandeelhoudersstructuur eenvoudiger en goedkoper? Het antwoord is bijna altijd de holding — maar niet om een vage reden als "meer flexibiliteit". Er zijn concrete fiscale en juridische mechanismen die het verschil bepalen, en die mechanismen verdienen uitleg.

Dit artikel legt per vennoot uit wat een persoonlijke holding doet, wanneer die loont en wanneer niet, en welke structuurkeuzes bij de VOF-omzetting echt tellen.

Wat is een persoonlijke holding per vennoot?

Bij een holdingstructuur per vennoot heeft elke vennoot zijn eigen holding-B.V. Die holding houdt de aandelen in de gezamenlijke werkmaatschappij. Vennoot A is aandeelhouder van Holding A B.V.; Holding A B.V. is aandeelhouder van Werk B.V. Hetzelfde geldt voor vennoot B.

De structuur ziet er schematisch zo uit:

Vennoot A (privé)         Vennoot B (privé)
       |                         |
 Holding A B.V.           Holding B B.V.
       \                         /
        \                       /
         Werkmaatschappij B.V.

De werkmaatschappij blijft de operationele entiteit: die voert de activiteiten uit, heeft personeel, sluit contracten af en genereert de winst. De holdings zijn de persoonlijke vermogensvehikels van elke vennoot afzonderlijk.

Het alternatief — directe aandeelhouderschap — is eenvoudiger in opzet: beide vennoten houden direct aandelen in de werkmaatschappij, zonder holding als tussenschakel. Minder kosten bij oprichting, maar structureel zwakker op elke fiscale en juridische dimensie die er op lange termijn toe doet.

De deelnemingsvrijstelling: het fiscale fundament

Het centrale voordeel van een holding per vennoot is de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet VPB 1969¹). De regeling houdt in dat voordelen — waaronder dividenduitkeringen en verkoopwinsten op de aandelen — die de holding ontvangt uit haar deelneming in de werkmaatschappij, zijn vrijgesteld van vennootschapsbelasting bij de holding. De deelnemingsvrijstelling geldt als de holding minimaal 5% van het nominaal gestorte kapitaal van de werkmaatschappij houdt.¹

Dit heeft drie concrete effecten:

1. Dividend stroomt belastingvrij van werkmaatschappij naar holding. Keert de werkmaatschappij €80.000 winst na VPB uit aan Holding A B.V., dan betaalt de holding daarover geen VPB. Het geld staat volledig ter beschikking in de holding. Dividendbelasting van 15% die de werkmaatschappij inhoudt bij de uitkering, is bij de holding verrekenbaar met de VPB.¹¹

2. Verkoopwinst op de aandelen werkmaatschappij is vrijgesteld. Verkoopt de holding op termijn haar aandelen in de werkmaatschappij, dan is de volledige verkoopwinst vrijgesteld van VPB in de holding.¹ Dit is bij een exitscenario het meest substantiële fiscale voordeel.

3. Elke holding bepaalt zelf het uitkeringstempo naar privé. Pas als dividend vanuit de holding naar de vennoot als privépersoon gaat, treedt box 2-heffing op. In 2025 bedraagt die 24,5% over de eerste €67.000 aan dividendinkomen per belastingplichtige en 31% over het meerdere.⁷ Zolang het geld in de holding blijft, loopt de belastingclock niet.

Vuistregel: De deelnemingsvrijstelling maakt de holding tot een belastingvrij tussenstadium. Winst die de werkmaatschappij na VPB heeft gemaakt en die je niet direct privé nodig hebt, stuur je belastingvrij naar de holding. Je beslist daarna wanneer en hoeveel je naar privé haalt — niet de Belastingdienst.

Vier redenen waarom een holding per vennoot loont

1. Onafhankelijke uitkeringstiming per vennoot

Twee vennoten hebben zelden dezelfde privébehoefte. Vennoot A heeft dit jaar een huis gekocht en heeft extra inkomen nodig; vennoot B bouwt vermogen op en wil niets privé uitkeren. Zonder holding zijn ze aan elkaar gebonden: als de werkmaatschappij dividend uitkeert, ontvangen alle aandeelhouders naar rato van hun aandelenbezit.¹⁶

Met een holding per vennoot lost dit probleem zich op. De werkmaatschappij keert dividend uit aan de holdings. Elke holding beheert dat geld autonoom. Holding A keert door aan vennoot A (box 2); Holding B houdt het geld vast. Geen synchronisatieplicht, geen conflicten over uitkeringstiming.

2. Vermogensbescherming per vennoot, los van het gezamenlijke bedrijf

De werkmaatschappij draagt het operationele risico. Crediteuren, aansprakelijkheidsclaims, faillissementsrisico — dit raakt de werkmaatschappij. Heeft elke vennoot zijn opgebouwde winst periodiek naar de holding verschoven, dan staat dat vermogen in beginsel buiten bereik van schuldeisers van de werkmaatschappij.

Bovendien is de holding van elke vennoot een separate entiteit, los van de privéschulden van de andere vennoot. Als vennoot B privé in financiële problemen raakt, zijn de aandelen van Holding B in de werkmaatschappij weliswaar verhaalbaar voor zijn privécrediteuren — maar dat raakt Holding A niet. Zonder holding waren de aandelen van vennoot A en B direct privébezit, kwetsbaar voor ieders privéschuldeisers.

3. Schone exit per vennoot via de deelnemingsvrijstelling

Stel dat vennoot A na tien jaar wil uitstappen. Zijn holding verkoopt de aandelen in de werkmaatschappij aan vennoot B (of diens holding), of aan een derde koper. De verkoopwinst valt volledig in de deelnemingsvrijstelling bij Holding A — geen VPB over de waardestijging van de afgelopen tien jaar.¹

Zonder holding verkoopt vennoot A zijn aandelen privé. De volledige verkoopwinst is belast in box 2 (art. 4.12 Wet IB 2001⁷). Bij een verkoopwinst van €400.000 bedraagt de box 2-heffing zonder holding circa €24.500 + 31% × €333.000 ≈ €127.730. Met holding staat die €400.000 belastingvrij in de holding, beschikbaar voor herinvestering, waarbij box 2-heffing pas later en op het zelfgekozen moment optreedt.

4. Persoonlijk vermogensplatform voor herinvesteringen

Elke holding functioneert als privé-investeringsplatform. Vanuit de holding kan een vennoot deelnemen in andere ondernemingen, onroerend goed kopen, of een participatie nemen — met geld waarover nog geen box 2-belasting is betaald. Zou hij datzelfde doen vanuit privévermogen, dan had hij eerst box 2 afgedragen.

De deelnemingsvrijstelling geldt voor elke deelneming van minimaal 5% in het nominaal gestorte kapitaal van een andere B.V.¹ Rendementen vanuit die deelnemingen stromen belastingvrij terug naar de holding — wat de holding tot een compounderende vermogensmachine maakt.

Wanneer weegt de holding per vennoot NIET op tegen de kosten?

Een holding per vennoot betekent extra structuurkosten: twee extra B.V.'s, twee extra jaarrekeningen, twee extra VPB-aangiften. De jaarlijkse extra administratiekosten bedragen in de praktijk €1.500–€3.000 per holding (per vennoot) bovenop de kosten van de werkmaatschappij alleen. Bij twee vennoten met elk een holding: €3.000–€6.000 extra per jaar.

Die meerkosten zijn alleen gerechtvaardigd als het fiscale voordeel ze overstijgt. In de volgende gevallen is dat twijfelachtig:

Winst per vennoot structureel onder €60.000–€80.000. Het verplichte DGA-gebruikelijk loon bedraagt minimaal €56.000 per bestuurder die arbeid verricht (art. 12a Wet LB 1964¹⁰). Bij een lage totaalwinst resteert er na het DGA-loon weinig over om via de holding te laten stromen. De holdingstructuur kost dan meer dan zij oplevert.

Alle winst wordt jaarlijks volledig privé opgenomen. De holding heeft pas meerwaarde als er daadwerkelijk vermogen in wordt opgebouwd. Vennoten die toch elk jaar alles privé uitkeren, betalen dubbele administratiekosten voor nul fiscaal voordeel.

Geen exitplannen en geen herinvesteringsvraagstuk. De deelnemingsvrijstelling bij een aandelenverkoop is het grootste enkelvoudige voordeel van een holding. Wie zijn aandelen nooit verkoopt en alleen maar blijft uitkeren, mist dit voordeel volledig.

Vuistregel: Een holding per vennoot verdient zichzelf terug zodra (a) de vennoot structureel meer dan €80.000 winst per jaar naar de holding kan sturen zonder het privé nodig te hebben, óf (b) er een reëel perspectief is op een aandelenverkoop in de komende tien jaar, óf (c) de vennoot via de holding in andere activiteiten wil herinvesteren.

Rekenvoorbeeld: twee vennoten, holding versus directe aandeelhouderschap

Twee vennoten — Sanne en Pieter — zetten hun vof om naar een B.V. De werkmaatschappij maakt €250.000 winst per jaar (vóór DGA-salarissen). Beide vennoten zijn bestuurder; elk DGA-salaris is €70.000.

Winst na DGA-salarissen:

PostBedrag
Winst vóór salarissen€250.000
DGA-salaris Sanne–€70.000
DGA-salaris Pieter–€70.000
Belastbare winst werkmaatschappij€110.000
VPB 19% (tarief 2025³)–€20.900
Winst na VPB€89.100

Per vennoot beschikbaar via dividend: €44.550 (50% van €89.100).

Sanne heeft dit jaar €20.000 dividend nodig; Pieter wil niets privé uitkeren.

Scenario A — Directe aandeelhouders (geen holding)

De werkmaatschappij keert €40.000 dividend uit (€20.000 per vennoot — want bij gelijke aandelenverhouding ontvangen beiden naar rato). Pieter is gedwongen mee te ontvangen.

PostBedrag per vennoot
Dividend ontvangen€20.000
Dividendbelasting 15% (ingehouden)–€3.000
Box 2-aanslag (24,5% over €20.000)€4.900
Te verrekenen dividendbelasting–€3.000
Netto box 2-bijbetaling€1.900
Netto ontvangen€15.100

Pieter ontvangt ook €15.100 die hij niet nodig had — en betaalt er al €4.900 box 2 over. Restant onbelast in werkmaatschappij: €49.100 (de andere helft van de winst na VPB).

Scenario B — Holdings per vennoot

De werkmaatschappij keert €89.100 belastingvrij uit aan de twee holdings (deelnemingsvrijstelling¹): €44.550 naar Holding Sanne, €44.550 naar Holding Pieter. Dividendbelasting is verrekenbaar bij de holdings.

  • Holding Sanne keert €20.000 door aan Sanne privé → box 2: €4.900. Restant in holding: €24.550.
  • Holding Pieter houdt €44.550 volledig vast → box 2: €0 dit jaar.
VergelijkingScenario AScenario B
Box 2 Sanne dit jaar€4.900€4.900
Box 2 Pieter dit jaar€4.900€0
In holding Pieter belastingvrij beschikbaar€44.550
Pieter: belasting uitgesteld€13.811 (31% over het meerdere boven €67k)

Over vijf jaar, bij 5% rendement op de €44.550 die Holding Pieter belastingvrij laat groeien: de holding werkt met circa €66.700 terwijl Pieter in Scenario A — na box 2-betaling — met €39.650 had kunnen beleggen (€44.550 – €4.900 box 2). Het cumulatieve verschil in eindvermogen na vijf jaar, alleen op dit ene uitkeringsjaar, bedraagt al ruim €17.000.

De inbrengstructuur bij omzetting van de vof

Bij omzetting van een vof naar een B.V. zijn er twee momenten waarop je de holdingstructuur per vennoot kunt realiseren:

Route 1: Direct bij omzetting — holding meteen in de structuur

Elke vennoot richt bij de notaris tegelijkertijd een eigen holding op en een gezamenlijke werkmaatschappij. De vof-onderneming wordt via de geruisloze inbreng ingebracht in de werkmaatschappij op grond van art. 3.65 Wet IB 2001.⁴ De aandelen in de werkmaatschappij worden uitgegeven aan de holdings (niet aan de vennoten persoonlijk). Elke vennoot ontvangt daarmee indirect — via zijn holding — zijn aandelenbelang.²¹

Dit is de efficiëntste route. De geruisloze omzettingsfaciliteit stelt als voorwaarde dat de onderneming als geheel wordt ingebracht en dat de aandelen gedurende drie jaar niet worden vervreemd. Vervreemding van de aandelen in de werkmaatschappij door de holding vóór het verstrijken van die termijn herleefd de latente belastingclaim.²¹

Aandachtspunt: De standaardvoorwaarden van de Belastingdienst bij geruisloze omzetting eisen dat elk van de inbrengende vennoten aandelen als tegenprestatie ontvangt.²¹ Bij een holdingstructuur zijn dat aandelen in de eigen holding (die op haar beurt aandelen in de werkmaatschappij houdt). Dit is uitvoerbaar, maar vraagt om gecoördineerde verzoeken bij de Belastingdienst voor alle vennoten tegelijkertijd.

Route 2: Achteraf een holding invoegen via aandelenfusie

Heb je al een enkelvoudige B.V. (directe aandeelhouders), dan kun je alsnog een holdingstructuur realiseren via de aandelenfusie (art. 3.55 Wet IB 2001⁵). Elke vennoot brengt zijn aandelen in de werkmaatschappij in bij een nieuw op te richten holding-B.V. in ruil voor aandelen in die holding — fiscaal neutraal, zonder directe afrekening, mits aan alle wettelijke voorwaarden wordt voldaan.

Gevolg: de holding houdt voortaan de aandelen in de werkmaatschappij; de vennoot houdt aandelen in zijn holding. Economisch hetzelfde als bij Route 1, maar de juridische weg is langer en de notariskosten komen er later bij. Wie bij omzetting al weet dat hij een holding wil, kiest verstandig voor Route 1.

Kosten van een holdingstructuur per vennoot

Een holdingstructuur per vennoot bij twee vennoten bestaat uit drie B.V.'s: twee holdings en één werkmaatschappij. Dat zijn ook drie KvK-inschrijvingen, drie sets statuten en drie VPB-aangiften per jaar.¹³'²¹

Eenmalige oprichtingskosten (bij twee vennoten):

PostIndicatieve kosten
Notariskosten (drie B.V.'s)€2.000–€3.500
KvK-inschrijving (3 × €75)€225
Fiscaal/juridisch advies structuur€2.000–€4.000
Totaal éénmalig€4.225–€7.725

Jaarlijkse meerkosten (per holding, per jaar):

PostIndicatieve kosten
Jaarrekening en VPB-aangifte holding€1.000–€2.500 per holding
Accountant/boekhouder (variabel)afhankelijk van omvang
Extra kosten t.o.v. enkelvoudige B.V.€2.000–€5.000 per jaar (twee holdings)

De meerkosten zijn fiscaal aftrekbaar bij de holdings als zakelijke kosten (art. 8 Wet VPB 1969, verwijzend naar art. 3.8 Wet IB 200117). Dat verlaagt de netto last enigszins.

Vuistregel: De meerkosten van twee holdings zijn gerechtvaardigd als de gecombineerde jaarlijkse fiscale besparing — uitstel box 2-heffing, vrijgestelde dividenden, toekomstige verkoopvrijstelling — meer bedraagt dan €5.000–€7.000 per jaar. Dat bereik je bij een totale winst van de werkmaatschappij van structureel €180.000 of meer, met twee vennoten die niet alles privé opnemen.

Juridische gevolgen: aandeelhoudersovereenkomst en exit

Een holdingstructuur per vennoot lost fiscale problemen op, maar creëert een juridische laag die aandacht vraagt.

Aandeelhoudersovereenkomst is verplicht. De statuten van de werkmaatschappij regelen de basisrechten van aandeelhouders. Maar de aandeelhoudersovereenkomst tussen de holdings regelt het praktische samenwerken: uitkeringsbeleid, investeringsbeslissingen, wat er bij conflict of uittreding gebeurt. Zonder deze overeenkomst geldt alleen de wettelijke blokkeringsregeling (art. 2:195 BW¹⁴) — en die is zelden voldoende bij een 50/50-verdeling.

Exit via holdingstructuur is schoner. Bij uittreding verkoopt de vertrekkende vennoot zijn aandelen in zijn eigen holding aan de achterblijvende vennoot — of draagt hij de holding over, of verkoopt de holding haar aandelen in de werkmaatschappij. Al deze varianten kennen specifieke fiscale behandelingen, maar de kern is dat de holding als juridische schil de exit organiseert en de verkoopwinst in de deelnemingsvrijstelling kan vallen.¹

50/50-structuur vraagt om een deadlockregeling. Bij gelijke aandelenverhouding (elke holding 50% in de werkmaatschappij) kan bij meningsverschillen geen beslissing worden doorgedrukt.¹⁶ Leg in de aandeelhoudersovereenkomst minimaal vast: een deadlock-procedure, een verplicht aanbod bij uittreding, een waarderingsformule op basis van een EBITDA-multiple of intrinsieke waarde, en wat er bij overlijden of arbeidsongeschiktheid van een vennoot geldt. Bekijk hiervoor ook ons artikel over meerdere vennoten in één B.V. voor de volledige governance-afwegingen.

Fiscale eenheid: kan dat bij een holding per vennoot?

Een fiscale eenheid voor de VPB (art. 15 Wet VPB 1969²) vereist dat de moedermaatschappij minimaal 95% van de aandelen houdt in de dochter. Bij een 50/50-verdeling — twee holdings die elk 50% houden in de werkmaatschappij — kan geen fiscale eenheid worden gevormd tussen de holdings en de werkmaatschappij.

Dit heeft praktische gevolgen: verliesverrekening tussen holding en werkmaatschappij is niet automatisch mogelijk. Als een holding een verlies lijdt (bijv. door een mislukte herinvestering) en de werkmaatschappij winst maakt, kunnen die niet worden gesaldeerd zonder aanvullende structuurmaatregelen.

Bij een meerderheidsaandeelhouder (bijv. 60/40-verdeling) kan de meerderheidsholding wel een fiscale eenheid met de werkmaatschappij vormen als zij meer dan 95% bezit — wat bij een 60/40 niet het geval is. Fiscale eenheid is bij de meeste holdingstructuren per vennoot dus niet aan de orde, tenzij één vennoot meer dan 95% houdt.

Conclusie

Een persoonlijke holding per vennoot is geen structuur voor grote concerns — het is het standaard fiscaal en juridisch instrument voor iedere vof die de omzetting serieus aanpakt. De deelnemingsvrijstelling maakt dividend belastingvrij overdraagbaar van werkmaatschappij naar holding; de verkoopwinst bij een toekomstige exit is vrijgesteld van VPB; en elke vennoot beheert zijn eigen vermogensopbouw en uitkeringstiming volledig autonoom.

De extra kosten zijn reëel: twee tot drie B.V.'s, extra administratie, een aandeelhoudersovereenkomst die goed is opgesteld. Maar voor een vof met een structurele winst boven €150.000 en vennoten die niet alles jaarlijks privé opnemen, zijn die kosten een investering die fiscaal en juridisch ruimschoots terugverdiend wordt.

De beslissing neem je bij voorkeur vóór de omzetting. Een holdingstructuur achteraf invoegen via een aandelenfusie is mogelijk maar kost extra tijd, geld en notariële handelingen. Wie bij de omzetting direct de juiste structuur kiest, betaalt die keuze maar één keer.

Wil je de holdingstructuur voor jouw specifieke vof doorrekenen — hoeveel vennoten, welke inbrengwaarden, welke winstverdeling? Hussain rekent de structuur voor je uit op basis van jouw cijfers en je exitstrategie. Plan een gratis gesprek — zonder verplichtingen.


Vragen over dit onderwerp?

Plan een vrijblijvend gesprek met onze fiscalisten.

Plan een gesprek