Wie een aanzienlijk spaartegoed heeft staan, betaalt daar in box 3 belasting over — ook als het geld op een spaarrekening staat en nauwelijks iets oplevert. Die belastingdruk heeft veel vermogenden doen nadenken: kan ik mijn spaargeld onderbrengen in mijn B.V. en daarmee box 3 ontwijken? Het antwoord is genuanceerder dan de vraag suggereert. Soms is het verstandig, soms is het een fiscale vergissing.
Hoe werkt box 3 en waarom irriteert het zo?
Box 3 belast het inkomen uit sparen en beleggen.¹ De grondslag is niet het werkelijke rendement, maar een forfaitair rendement dat de wetgever jaarlijks vaststelt op basis van veronderstelde rendementen per vermogenscategorie (spaargeld, overig beleggen).² De rendementsgrondslag is de waarde van bezittingen minus schulden per 1 januari van het belastingjaar.³
In 2026 gelden de volgende forfaitaire rendementspercentages (indicatief — de definitieve percentages worden elk jaar gepubliceerd):
| Vermogenscategorie | Forfaitair rendement |
|---|---|
| Banktegoeden (spaargeld) | ± 1,44% |
| Overige bezittingen (beleggen) | ± 5,88% |
| Schulden | ± 2,62% |
Over het berekende forfaitaire rendement wordt 36% belasting geheven.¹² Het heffingvrij vermogen bedraagt in 2026 €59.357 per persoon (€118.714 voor fiscale partners).¹⁹
Rekenvoorbeeld: Stel je hebt €300.000 aan spaargeld en €118.714 aan heffingvrij vermogen (fiscaal partners). De belaste grondslag is €181.286. Forfaitair rendement op spaargeld: 1,44% × €181.286 = €2.611. Belasting: 36% × €2.611 = €940 per jaar. Dat klinkt mee, maar bij een hogere rente of bij beleggingen loopt dit sterk op.
De pijn zit dus niet zozeer bij lage spaarrentes, maar bij grotere vermogens of bij wie ook belegt. Bovendien heeft de Hoge Raad in het Kerstarrest van december 2021 geoordeeld dat het forfaitaire stelsel in strijd is met het eigendomsrecht als het werkelijke rendement structureel lager ligt dan het forfait.¹⁶ De wetgever werkt nog steeds aan een nieuw stelsel op basis van werkelijk rendement — tot die tijd geldt overgangsbeleid. De onzekerheid over box 3 is daarmee een zelfstandige reden voor sommige belastingplichtigen om vermogen anders te structureren.
Spaargeld in de B.V.: hoe werkt dat fiscaal?
Een B.V. is niet onderworpen aan box 3. De B.V. betaalt vennootschapsbelasting (VPB) over haar winst, inclusief ontvangen rente op spaargeld.⁴ In 2026 gelden de volgende VPB-tarieven:⁵
- 19% over de eerste €200.000 winst
- 25,8% over het meerdere
Als de B.V. €300.000 aan spaargeld aanhoudt tegen 2,5% rente, ontvangt zij €7.500 aan rente-inkomsten. Hierover betaalt de B.V. 19% VPB = €1.425.
Ter vergelijking: hetzelfde spaarsaldo in privé (boven het heffingvrij vermogen) levert bij het huidige forfait voor spaargeld een aanzienlijk lagere belasting op dan wanneer het om beleggingen zou gaan. De vergelijking pakt gunstiger uit voor de B.V. naarmate het werkelijke rendement hoger is en/of de B.V. in het 19%-tarief blijft.
De cruciale vraag is: wanneer wil je het geld terug privé? Want uitkeren kost geld.
De gecombineerde druk: VPB + dividendbelasting + box 2
Spaargeld in de B.V. brengt pas inkomen bij jou als DGA als je het uitkeert als dividend. Dat kost:
- VPB over de rente-inkomsten (19% of 25,8%)⁵
- Dividendbelasting van 15% (inhouding door de B.V., als voorheffing verrekenbaar)⁹ ¹⁰
- Box 2-heffing over het dividend in je aangifte IB⁷
Het box 2-tarief in 2026 bedraagt 24,5% over de eerste €67.000 aan inkomen uit aanmerkelijk belang per persoon, en 31% over het meerdere.⁷ ¹⁴
Gecombineerde belastingdruk in een rekenvoorbeeld
Stel de B.V. behaalt €10.000 aan rente-inkomsten op spaargeld:
| Stap | Berekening | Bedrag |
|---|---|---|
| Bruto rente-inkomst | €10.000 | |
| VPB (19%) | €10.000 × 19% | − €1.900 |
| Netto in B.V. na VPB | €8.100 | |
| Box 2-heffing (24,5%) | €8.100 × 24,5% | − €1.985 |
| Netto bij DGA na uitkering | €6.115 |
De gecombineerde effectieve druk is dus: (€1.900 + €1.985) / €10.000 = 38,85%. Let op: bij het box 2-tarief van 31% loopt dit op tot circa 44,2% over de rente.
Voor spaargeld met een laag rendement en een relatief klein vermogen boven het heffingvrij vermogen is box 3 goedkoper. Het omslagpunt verschuift pas als:
- Het vermogen aanzienlijk boven het heffingvrij vermogen uitkomt
- Het werkelijke rendement (door beleggingen) het forfait overstijgt
- Je het geld langdurig in de B.V. laat staan en pas later — in een lager tariefschijf of na overlijden — uitkeert
Vuistregel: Spaargeld in de B.V. is pas fiscaal aantrekkelijker dan box 3 als je het geld definitief in de B.V. laat staan en niet op korte termijn privé wil ontvangen. De gecombineerde VPB + box 2-druk bij directe uitkering ligt hoger dan de box 3-heffing op spaargeld.
Wanneer is het onderbrengen van spaargeld in de B.V. wél verstandig?
Er zijn concrete situaties waarbij de keuze voor de B.V. als spaarvehikel rationeel is.
1. Je belegt — niet alleen spaart
Het forfait voor overige bezittingen (beleggingen) ligt in 2026 rond 5,88%. Wie daadwerkelijk 3% of 4% rendement behaalt, betaalt in box 3 feitelijk meer belasting dan hij rendement maakt. In de B.V. betaal je VPB alleen over het werkelijke rendement. Een beleggingsportefeuille van €500.000 die 3,5% opbrengt (€17.500) betaalt in box 3 over het forfaitaire rendement van 5,88% (€29.400) dus 36% × €29.400 = €10.584 box 3-belasting — bij een werkelijk rendement van maar €17.500. In de B.V. betaal je 19% × €17.500 = €3.325 VPB, plus later box 2 bij uitkering. De B.V. is in dit scenario al bij korte horisonnen interessanter als je het geld niet direct nodig hebt.
2. Je hebt een langetermijnhorizon
Zolang het geld in de B.V. blijft staan en niet wordt uitgekeerd, betaal je geen box 2-heffing. De rente (of het beleggingsrendement) accumuleert in de B.V. tegen slechts 19% VPB. Dit compound-effect over 10–20 jaar kan aanzienlijk zijn. De latente box 2-claim bestaat, maar het uitstellen ervan heeft tijdswaarde.
3. Je verwacht het geld pas nodig te hebben na pensionering
Op het moment dat je minder inkomen geniet (geen DGA-salaris meer, lagere box 1-inkomen), valt dividend mogelijk in het lagere box 2-tarief van 24,5%. Bovendien kan slim dividendbeleid ervoor zorgen dat je per jaar maximaal €67.000 per persoon tegen 24,5% uitkeert — en het meerdere aanhoudt tot een later jaar.
4. De box 3-wetgeving blijft onzeker
Het Kerstarrest¹⁶ en de voortdurende discussie over een nieuw box 3-stelsel op basis van werkelijk rendement maken de toekomstige belastingdruk in box 3 onzeker. Als het nieuwe stelsel substantieel hoger uitvalt voor vermogende belastingplichtigen, kan de B.V. structureel aantrekkelijker blijken. Dit is echter een politiek risico, geen garantie.
Wanneer is het géén goed idee?
De nadelen zijn reëel en worden door adviseurs soms onderbelicht.
Beperkte liquiditeit
Spaargeld in de B.V. is niet zonder meer beschikbaar voor privéuitgaven. Opname vereist een dividendbesluit, een formele uitkeringstest (de B.V. mag alleen dividend uitkeren als zij na uitkering haar opeisbare schulden kan blijven voldoen¹⁷), en in sommige gevallen aandeelhoudersvergadering. Wie het geld op korte termijn privé nodig heeft, loopt aan tegen zowel procedures als belastingdruk.
De terbeschikkingstellingsregeling (TBS)
Als je privégeld aan je eigen B.V. leent in plaats van inbrengt als kapitaal, valt de rentebate bij jou in box 1 als resultaat uit overige werkzaamheden.¹¹ De TBS-regeling neutraliseert hiermee het belastingvoordeel van een lening aan de eigen B.V. — de rente is bij de B.V. aftrekbaar maar bij jou belast in box 1. Dit is geen route om box 3 te ontwijken.
Wet excessief lenen bij eigen B.V.
Leen je als DGA meer dan €500.000 van je eigen B.V., dan wordt het meerdere in box 2 belast als fictief regulier voordeel.²¹ Dit heeft de route van "geld eerst in B.V., dan lenen vanuit B.V." aanzienlijk minder aantrekkelijk gemaakt.
Hogere administratieve lasten
Een B.V. vereist een jaarrekening, VPB-aangifte, eventuele publicatieplicht bij KvK en alle verplichte formaliteiten rondom dividenduitkeringen. Voor een spaargeld van pakweg €100.000–€200.000 wegen de kosten van administratie (accountant, notaris bij oprichting) doorgaans niet op tegen het fiscale voordeel.
Box 3-heffing bij spaargeld is relatief laag
De pijn van box 3 zit primair bij beleggers, niet bij spaarders. Het forfait voor banktegoeden ligt beduidend lager dan voor overige bezittingen. Wie uitsluitend spaart en redelijk dicht bij het heffingvrij vermogen zit, heeft weinig te winnen met een B.V.
Vuistregel: De B.V. als spaarvehikel is primair interessant voor bedragen boven €300.000–€500.000, voor wie ook belegt (niet alleen spaart), en voor wie het geld zeker niet op korte termijn privé nodig heeft.
De praktische route: hoe breng je spaargeld in de B.V.?
Er zijn in beginsel drie routes:
1. Kapitaalstorting: Je stort privévermogen als aanvullend aandelenkapitaal of als agio in de B.V. Dit levert geen directe belastingheffing op. De B.V. houdt het vermogen aan en betaalt VPB over de opbrengst. Bij latere uitkering als dividend betaal je box 2. De verkrijgingsprijs van je aandelen stijgt mee, wat de toekomstige AB-claim bij verkoop verlaagt.
2. Lening aan de B.V.: Juridisch simpel, maar fiscaal onderhevig aan de TBS-regeling.¹¹ De rente die je ontvangt is belast in box 1 — geen voordeel ten opzichte van box 3 (en soms nadeliger, omdat box 1-tarieven hoger zijn dan box 3).
3. Via de bestaande B.V. bij omzetting: Als je een eenmanszaak omzet naar een B.V. en beschikt over privévermogen, kan het fiscaal optimaal zijn om dit vermogen direct bij oprichting in te brengen en niet achteraf toe te voegen. Dit vraagt om integrale planning vooraf. Lees meer over de structureringsmogelijkheden bij een holding-structuur.
De meest schone route is de kapitaalstorting. Die levert geen belasting op bij inbreng, geen TBS-complicaties en een hogere verkrijgingsprijs voor de aandelen.
Conclusie: rekenen vóór beslissen
Box 3 en spaargeld in de B.V. is geen zwart-wit vraagstuk. De belastingdruk in box 3 op spaargeld is met het huidige forfait voor banktegoeden beperkt; de gecombineerde VPB + box 2-druk bij uitkering kan juist hoger uitvallen. Het voordeel van de B.V. zit in het uitstellen van box 2-heffing, het compound-effect van lagere lopende belasting bij herinvestering, en het feit dat beleggers in de B.V. structureel minder betalen dan met het hoge beleggingsforfait in box 3.
Voor wie €400.000 of meer aan vrij vermogen heeft, een langetermijnperspectief hanteert en bereid is de administratieve lasten van een B.V. te dragen, kan de B.V. als vermogensvehikel reële voordelen bieden. Voor wie puur spaart en het geld binnen afzienbare tijd privé nodig heeft, is de B.V. zelden de fiscaal efficiëntste route.
Dit soort beslissingen vergt maatwerk. De fiscale merites hangen af van de omvang van het vermogen, de verwachte rendementen, de horizon, uw overige inkomen en de vraag of er al een B.V.-structuur bestaat. Wij rekenen dit graag voor u door in een gratis adviesgesprek — zonder verplichtingen en met concrete cijfers op tafel.
