Als DGA bouw je geen pensioen op via een werkgever. Er is geen pensioenfonds dat automatisch premies inhoudt, geen cao die je beschermt en geen werkgeversbijdrage. Pensioenopbouw is volledig je eigen verantwoordelijkheid — en de B.V. biedt daarvoor gerichte fiscale instrumenten. Dit artikel legt uit welke routes er zijn, wat ze kosten, wat ze opleveren en hoe je ze in de praktijk inzet.
Waarom DGA's een pensioengat hebben
Iedere inwoner van Nederland bouwt AOW op via het woonlandbeginsel — dus ook DGA's. Maar de AOW (circa €1.400 netto per maand voor alleenstaanden in 2025) is voor de meeste ondernemers onvoldoende als enige inkomstenbron na pensionering. Het tweede pijler pensioen — dat via de werkgever wordt opgebouwd in een pensioenfonds of verzekeraar — bestaat voor DGA's in de klassieke vorm niet.
Pensioen in eigen beheer (de B.V. bouwt zelf pensioen op op de balans) is per 1 juli 2017 afgeschaft.¹¹ Daarna geldt: wil je als DGA aanvullend pensioen opbouwen, dan doe je dat ofwel via een externe lijfrenteverzekering of bankspaarproduct, ofwel via dividend-gedreven vermogensopbouw in box 2, ofwel via een combinatie.
De B.V. speelt in alle routes een centrale rol: zij genereert de winst, betaalt het salaris waarover jij box 1-aftrek kunt claimen, en distribueert de resterende winst waarover je in box 2 wordt belast.¹⁹
Route 1: Lijfrente betaald vanuit privé (jaarruimte en reserveringsruimte)
De meest directe route: jij ontvangt salaris uit de B.V. (het gebruikelijk loon¹³), en stort een deel van dat salaris privé in een lijfrenteverzekering of bancaire lijfrenteproduct. De premie is aftrekbaar in box 1 van de inkomstenbelasting, binnen de grenzen van de jaarruimte (art. 3.127 Wet IB 2001¹).
Hoe werkt de jaarruimteberekening?
De jaarruimte is de maximale fiscaal aftrekbare lijfrentepremie over een kalenderjaar. De formule is:
Jaarruimte = 30% × (inkomen − AOW-franchise) − factor A
In 2025 bedraagt de AOW-franchise €17.545. Factor A is de toename van je opgebouwde pensioenrechten in het jaar (voor DGA's zonder pensioenregeling is factor A doorgaans nul). Het maximale inkomen waarover je jaarruimte berekent is €137.800 (2025).
Rekenvoorbeeld: Een DGA met een gebruikelijk loon van €65.000 heeft geen andere pensioenopbouw (factor A = 0):
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Inkomen | €65.000 |
| Minus AOW-franchise | -€17.545 |
| Grondslag | €47.455 |
| 30% jaarruimte | €14.237 |
Deze DGA mag dus maximaal €14.237 per jaar belastingvrij in een lijfrenteproduct storten. De premie is aftrekbaar in box 1 — bij een marginaal tarief van 49,5% levert dat een belastingbesparing van circa €7.047 per jaar op.¹
Vuistregel: Het gebruikelijk loon is de grondslag voor je jaarruimte. Hoe hoger het salaris (tot het maximum van €137.800), hoe hoger de toegestane aftrek. Dit is een directe reden om het DGA-salaris niet altijd op het wettelijk minimum te zetten.
Reserveringsruimte: achterstallige jaren inhalen
Heb je in de afgelopen tien jaar jaarruimte onbenut gelaten? Dan kun je die inhalen via de reserveringsruimte (art. 3.127 lid 2 Wet IB 2001²). In 2025 bedraagt de maximale reserveringsruimte €42.108. Dit is een eenmalige of meerjaarlijkse inhaalslag.
Route 2: De B.V. als financieringskanaal voor lijfrente
Veel DGA's redeneren: "Mijn B.V. heeft meer geld dan ik privé nodig heb — kan de B.V. de lijfrentepremie betalen?" Het antwoord: nee, niet direct. De lijfrenteaftrek (art. 3.124 Wet IB 2001³) betreft uitgaven voor inkomensvoorzieningen — jij als particulier bent de premiebetaler, niet de B.V.
Wil je dus BV-geld inzetten voor pensioenopbouw, dan zijn er twee mechanismen:
Variant A — Hoger salaris nemen. De B.V. verhoogt het gebruikelijk loon. Jij betaalt meer loonbelasting, maar hebt ook een grotere jaarruimte. Het netto-effect op de box 1-belastingdruk hangt af van je marginale tarief en de aftrekpost.
Variant B — Dividend uitkeren, dan storten. De B.V. keert dividend uit (belast in box 2 tegen 24,5% of 33% in 2025¹⁹, afhankelijk van de hoogte). Met het netto dividendbedrag stort je privé in een lijfrenteproduct en trek je de premie af in box 1. Dit is arbitrage tussen box 2 en box 1: je betaalt eerst box 2-belasting om daarna box 1-aftrek te claimen. Of dit voordelig is, hangt af van je verwachte box 1-tarief bij uitkering en het tijdverschil.
Vuistregel: De B.V. betaalt lijfrentepremie nooit direct (dan is er geen aftrek). De B.V. fungeert als spaarpot: betaal jezelf meer salaris of dividend en stort dat privé in een lijfrenteproduct.
Route 3: Vermogensopbouw in de B.V. (beleggend) als pensioensubstituut
Een derde strategie is populair maar wordt vaak onderschat in zijn belastingdruk: je laat de winst in de B.V. zitten, belegt die winst via de B.V. in aandelen, vastgoed of obligaties, en keert op pensioendatum de opgebouwde waarde uit als dividend.
De belastingdruk op dit pad is:
- Vennootschapsbelasting over de beleggingswinsten: 19% (tot €200.000 belastbare winst) of 25,8% daarboven (art. 8 Wet VPB 1969⁸)
- Box 2-belasting bij dividenduitkering: 24,5% (eerste €67.000) of 33% (daarboven) in 2025¹⁹
- Gecombineerde effectieve druk: tot circa 44% op beleggingsrendementen
Dit is in de meeste gevallen ongunstiger dan een lijfrenteroute waarbij de premie aftrekbaar is in box 1 (besparing tegen 49,5%) en de uitkering belast is in box 1 (doorgaans tegen lagere tarieven na pensionering).
Waar beleggen in de B.V. wél kan lonen:
- Als je verwacht dat je na pensionering nog voldoende ander inkomen hebt en toch in het hoge box 1-tarief valt (dan is lijfrente minder aantrekkelijk)
- Als je de B.V. overdraagt aan kinderen via schenking of bedrijfsopvolging
- Als je substantieel vermogen opbouwt en de jaarruimte al volledig benut
Route 4: Stakingslijfrente bij inbreng of einde onderneming
Als je je eenmanszaak omzet naar een B.V. via de geruisende inbreng of bij echte staking van je onderneming, heb je recht op een stakingslijfrente (art. 3.129 Wet IB 2001⁶). De stakingswinst — de opgebouwde stille reserves, goodwill en eventuele fiscale reserves — mag je dan (deels) omzetten in een lijfrentepremie die boven de normale jaarruimte uitstijgt.
De extra aftrekruimte bij staking bedraagt in 2025:
- Basisvrijstelling: €481.030 (maximaal, leeftijdsonafhankelijk)
- Verhoogd bij leeftijd 60–64 jaar: €964.810
- Verhoogd bij AOW-leeftijd of arbeidsongeschiktheid: €964.810
Dit is een eenmalige, aanzienlijke ruimte om een belastingclaim bij omzetting te herplaatsen in een fiscaal aftrekbare lijfrentepremie. Zie ook ons artikel over eenmanszaak naar B.V. voor de bredere context van dit moment.
Vuistregel: Kies bij inbreng bewust voor de geruisende variant als je substantiële stakingswinst kunt omzetten in een stakingslijfrente. De combinatie "afrekenen + stakingslijfrente" kan netto gunstiger uitpakken dan doorschuiven zonder aftrek.
Toegestane producten: waar mag de lijfrentepremie naartoe?
De fiscale aftrek geldt uitsluitend voor lijfrentepremies bij aangewezen aanbieders (art. 3.124 en 3.126 Wet IB 2001³ ⁴). Dit zijn:
- Lijfrenteverzekeringen bij een erkende verzekeraar (levensverzekering met uitkeringsgarantie)
- Bancaire lijfrenterekening (art. 3.126a Wet IB 2001¹⁶): geblokkeerde spaarrekening bij een bank, ook wel "banksparen" genoemd
- Lijfrentebeleggingsrecht (art. 3.126a Wet IB 2001¹⁶): beleggen in fondsen via een geblokkeerde beleggingsrekening
Geld dat gestort wordt op een gewone spaarrekening, belegd wordt in eigen aandelen of de B.V. ingaat, telt niet als lijfrentepremie en levert geen aftrek op.
De uitkeringen zijn belast in box 1 op het moment van ontvangst (art. 3.100 Wet IB 2001⁵). De gedachte: je spaart nu belastingvrij (aftrek bij storting), en betaalt later belasting bij uitkering — typisch in een lagere belastingschijf.
Concreet rekenvoorbeeld: eenmanszaak versus B.V. voor pensioenopbouw
Stel: Jaap is 45 jaar oud en heeft jaarlijks €120.000 winst voor belastingen. Hij vergelijkt zijn pensioenopbouw als eenmanszaak (box 1) versus als DGA via een B.V.
Scenario A — Eenmanszaak:
- Winst: €120.000
- Belastbare winst na MKB-winstvrijstelling (13,31%): circa €104.040
- IB in box 1 (2025, na aftrekken): circa €43.000
- Netto inkomen: circa €77.000
- Jaarruimte op basis van €120.000 inkomen: 30% × (€120.000 − €17.545) = €30.737
- Belastingbesparing door lijfrentestorting: circa €15.215 (49,5%)
Scenario B — B.V. met gebruikelijk loon €65.000:
- Loon uit B.V.: €65.000 → loonheffing circa €21.500
- Resterende B.V.-winst vóór VPB: €55.000
- VPB (19%): €10.450 → netto winst na VPB: €44.550
- Jaarruimte op basis van salaris €65.000: €14.237 (zie rekenvoorbeeld hierboven)
- Dividend uitkering om resterende jaarruimte op te vullen: €30.000 bruto → box 2 (24,5%): €7.350 heffing → netto €22.650 beschikbaar voor lijfrente
- Totale belastingbesparing via lijfrente bij salaris-route: circa €7.047
De totale belastingdruk in scenario B is lager dan A als de VPB-besparing en dividend-flexibiliteit worden meegenomen — maar de jaarruimte is kleiner. Dit illustreert het kernpunt: bij een B.V. optimaliseer je niet alleen de pensioenaftrek, maar ook het moment en de omvang van dividend-uitkeringen. De twee zijn onlosmakelijk verbonden.
Vuistregel: Een DGA-salaris van €65.000 tot €100.000 geeft de beste balans tussen gebruikelijk-loonverplichting, belastingdruk in box 1 en maximale jaarruimte. Salaris kunstmatig laag houden schaadt je pensioenopbouw.
Veelgemaakte fouten bij DGA-pensioenopbouw
Jaarruimte niet benutten. Veel DGA's nemen te weinig salaris of vergeten de jaarruimte op te maken. Onbenutte ruimte staat tien jaar open als reserveringsruimte (art. 3.127 lid 2 Wet IB 2001²) maar vervalt daarna definitief.
Storten op verkeerd product. Lijfrentepremie gestort op een gewone bankrekening of beleggingsrekening (niet-aangewezen aanbieder) geeft geen aftrek. De Belastingdienst corrigeert dit bij aanslag, inclusief eventuele heffingsrente.
Vergeten dat uitkeringen belast zijn. De lijfrente-uitkering is belastbaar inkomen in box 1 bij ontvangst (art. 3.100 Wet IB 2001⁵). Niet inkomensbron-neutraal. Plan de uitkeringen zodat je marginale tarief na pensionering inderdaad lager is dan bij storting.
Pensioen in eigen beheer-nostalgie. Sommige oudere DGA's hebben nog een restant pensioen in eigen beheer op de balans van voor 2017. Dit vraagt specifieke afwikkeling (afkoop, omzetting naar ODV of externe onderbrenging) — en is een apart traject.¹¹
Geen vermogensscheiding. Beleggend vermogen in de B.V. dat als "pensioenvervanging" wordt gebruikt, is juridisch gewoon B.V.-vermogen. Schuldeisers kunnen er in principe beslag op leggen. Een extern lijfrenteproduct biedt meer bescherming.
Conclusie: pensioenopbouw als DGA vraagt een actieve strategie
Als DGA heb je geen automatische pensioenopbouw. Dat is een risico, maar ook een kans: je hebt meer keuzevrijheid in timing, omvang en instrument dan werknemers. De fiscale toolbox is breed — jaarruimte, reserveringsruimte, stakingslijfrente — maar vereist actieve planning.
De B.V. is geen pensioenproduct, maar het kloppend hart van je pensioenfinanciering. Ze genereert het salaris dat jaarruimte creëert, betaalt de dividenden waarmee je bijstort, en bepaalt via haar winstpositie hoeveel je kunt missen zonder de onderneming te schaden.
Wil je weten hoeveel jaarruimte jij onbenut hebt laten liggen, of wat je stakingslijfrente zou zijn bij inbreng in een B.V.? Plan een gratis adviesgesprek met Hussain of Adal. We rekenen de scenario's door en stellen een pensioenplan op dat aansluit bij je leeftijd, inkomen en planningshorizon.
