Box 3 is al jaren een belastingpolitiek slagveld. Na het Kerstarrest van de Hoge Raad in december 2021⁵ staat vast dat de forfaitaire rendementsheffing in strijd is met het EVRM wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfait. Toch betalen vermogende particulieren in 2025 nog steeds effectief belasting over fictief rendement — en dat rendement ligt structureel hoger dan wat een spaarrekening oplevert.
De vraag die veel vermogende particulieren en DGA's stelt: loont het om vermogen uit box 3 te halen en in een B.V. onder te brengen? Het antwoord is genuanceerd. Onder de juiste omstandigheden kan het jarenlang belasting besparen; onder de verkeerde omstandigheden betaal je meer. Dit artikel rekent het voor.
Hoe werkt box 3 nu, en waarom is het een probleem?
Box 3 belast het "voordeel uit sparen en beleggen" over de rendementsgrondslag: de waarde van je vermogensbestanddelen op 1 januari minus schulden, boven het heffingvrij vermogen.²⁰ Het belastbaar voordeel wordt berekend via een forfaitair systeem dat de Belastingdienst jaarlijks vaststelt op basis van gemiddelde rendementen per vermogenscategorie.²
In 2025 gelden de volgende forfaitaire percentages:¹⁷
| Categorie | Forfaitair rendement 2025 |
|---|---|
| Banktegoeden | circa 1,44% |
| Overige bezittingen (beleggingen, onroerend goed) | circa 5,88% |
| Schulden | circa 2,46% |
Het belastingtarief over het berekende forfaitaire voordeel bedraagt 36%.⁴
Rekenvoorbeeld: Je hebt €400.000 aan beleggingen en €57.684 heffingvrij vermogen. De rendementsgrondslag is €342.316. Het forfaitaire voordeel is 5,88% × €342.316 = €20.128. Belasting: 36% × €20.128 = €7.246 per jaar — ongeacht wat je beleggingen werkelijk opbrengen.
De Hoge Raad oordeelde in juni 2024 opnieuw dat de heffing over niet-gerealiseerd rendement problematisch is.⁶ Het kabinet bereidt een stelsel op basis van werkelijk rendement voor,¹⁹ maar zolang dat niet is ingevoerd, bestaat de prikkel om vermogen uit box 3 te halen.
Vuistregel: Als je beleggingen structureel meer opleveren dan het forfait (momenteel circa 5,88% voor beleggingen), is box 3 relatief gunstig. Ligt je werkelijk rendement daar ruim boven, dan is verplaatsen naar een B.V. het overwegen waard.
Hoe wordt vermogen in een B.V. belast?
Vermogen dat je in een B.V. inbrengt, valt in de vennootschapsbelasting (VPB). De B.V. betaalt VPB over de werkelijke winsten — rente, dividend, huurinkomsten en koerswinsten op beleggingen — zodra die worden gerealiseerd.⁸
De VPB-tarieven in 2025 zijn:⁷
| Belastbare winst | Tarief |
|---|---|
| Tot €200.000 | 19% |
| Vanaf €200.000 | 25,8% |
Wil je het geld daarna privé gebruiken, dan keer je dividend uit. Dat is belast in box 2 als aanmerkelijk belang (je bezit als DGA doorgaans 100% van de aandelen, dus ruim boven de 5%-grens van art. 4.6 Wet IB 2001⁹). Box 2 kent een tweeschijvenstelsel:¹²
| Dividend / vervreemdingswinst | Tarief box 2 |
|---|---|
| Tot €67.000 per persoon | 24,5% |
| Daarboven | 31% |
Over het uitgekeerde dividend wordt eerst 15% dividendbelasting ingehouden (art. 3 Wet Dividendbelasting 1965¹³), die je verrekent in je aangifte.
De gecombineerde belastingdruk op uitgedeeld vermogen is dus: VPB + box 2. Bij winst onder €200.000 en dividend in de eerste schijf: 19% VPB + 24,5% × (1 - 19%) = 19% + 19,8% ≈ 38,8% totaal. Bij hogere bedragen loopt dit op tot circa 25,8% + 22,9% ≈ 48,7%.
De directe vergelijking: box 3 versus B.V.
De kernvraag is niet alleen wat je betaalt, maar wanneer je betaalt en waarover.
Box 3 belast elk jaar een forfaitair rendement, of je nu winst maakt of niet. Je betaalt belasting over fictief inkomen, en bij vermogensgroei groeit ook de grondslag — en dus de belastingdruk.
Een B.V. belast uitsluitend gerealiseerde winsten. Zolang je beleggingen in waarde stijgen maar je niets verkoopt of uitkeert, betaalt de B.V. in principe geen belasting. Dit is het compounding-voordeel: het volledige rendement wordt geherinvesteerd, zonder jaarlijkse afdraging aan de fiscus.
Rekenvoorbeeld: €500.000 over 10 jaar
Stel: je hebt €500.000 aan vermogen met een werkelijk rendement van 7% per jaar. Je vergelijkt box 3 (5,88% forfait beleggingen, 36% tarief) met een B.V. (VPB 19%, geen uitkering de eerste 10 jaar).
Box 3 — jaar 1 t/m 10:
Jaarlijkse belasting in jaar 1: 36% × 5,88% × €500.000 = €10.584. Dit bedrag stijgt elk jaar mee met de groeiende grondslag. Na 10 jaar heb je in totaal grofweg €130.000–€145.000 aan box 3-heffing betaald, en je vermogen is gegroeid naar circa €938.000 na belasting.
B.V. — jaar 1 t/m 10, geen uitkering:
De B.V. herinvesteert elk jaar het volledige rendement van 7%. Er is geen jaarlijkse box 3-heffing. Na 10 jaar staat er circa €983.000 in de B.V. (vóór VPB bij realisatie). De VPB-claim bestaat, maar is nog niet verschuldigd.
Het verschil na 10 jaar bedraagt ruim €45.000 aan uitgestelde en bespaarde belasting — exclusief het rendement op het belastingbedrag dat je niet elk jaar hoefde af te dragen. Bij hogere rendementen of langere horizons wordt dit voordeel groter.
Vuistregel: Hoe langer de beleggingshorizon en hoe hoger het werkelijk rendement, hoe aantrekkelijker de B.V. De B.V. wint het van box 3 zodra het werkelijk rendement structureel boven het forfait ligt én je vermogen tenminste 5 tot 7 jaar in de B.V. laat staan zonder uitkering.
Wanneer loont het, en wanneer niet?
De B.V. als beleggingsvehikel is niet universeel aantrekkelijk. Er zijn situaties waarin box 3 — ondanks zijn gebreken — goedkoper uitpakt.
Situaties waarin de B.V. loont
- Hoog werkelijk rendement (>7%). Het forfait is relatief laag voor banktegoeden (~1,44%) maar hoog voor beleggingen (~5,88%). Wie boven het forfait rendeert, betaalt in box 3 minder dan zijn werkelijke rendement — maar de B.V. belast alleen het werkelijke rendement. Bij rendementen ruim boven 7% compoundt de B.V. sneller.
- Lange horizon (>10 jaar). Het uitstel van belastingheffing levert pas echt voordeel op als de herinvestering geruime tijd kan doorwerken. Bij een kortere horizon weegt het opstartverlies (notariskosten, jaarlijkse B.V.-kosten) niet op.
- Groot vermogen (>€500.000). De vaste kosten van een B.V. (oprichting circa €1.500–2.500, jaarlijkse administratie €1.500–3.000) zijn procentueel draaglijk bij grotere vermogens, maar vreten bij kleinere vermogens in de belastingbesparing.
- Al een bestaande (holding-)B.V. Als je al een B.V. hebt — als DGA of na omzetting van je eenmanszaak — zijn de drempelkosten nihil. Je vermogen onderbrengen in de bestaande holding is dan een relatief eenvoudige stap.
- Onroerend goed met huurinkomsten. In box 3 wordt vastgoed belast op de WOZ-waarde maal het forfait (circa 5,88%). In een B.V. betaal je VPB over de nettohuurinkomsten — bij matige huurrendementen en hoge hypotheekrente kan dat gunstiger uitvallen.
Situaties waarin box 3 voordeliger blijft
- Laag werkelijk rendement (spaartegoeden). Voor banktegoeden geldt een forfait van circa 1,44%. Als je werkelijk rendement op je spaargeld 3% is, betaal je in box 3 slechts 36% × 1,44% = 0,52% belasting over de waarde van je spaargeld — terwijl de B.V. VPB betaalt over de volledige 3%. Hier verliest de B.V. het.
- Korte beleggingshorizon (<5 jaar). Wil je het vermogen snel weer privé gebruiken, dan schiet je tekort: je betaalt eerst VPB en daarna nog box 2 bij uitkering. De totale druk kan dan hoger zijn dan box 3.
- Verlieslatende beleggingen. In box 3 betaal je altijd over het forfait, ongeacht verlies — maar die belasting valt relatief mee. In een B.V. verlies je toch VPB-voordeel als winsten uitblijven.
- Vermogen net boven het heffingvrij vermogen. Het heffingvrij vermogen bedraagt in 2025 €57.684 per persoon (€115.368 voor fiscale partners).²⁰ Op een vermogen van €150.000 is de daadwerkelijke heffing beperkt. De vaste kosten van een B.V. overstijgen dan de belastingbesparing.
Vuistregel: Als je vermogen in box 3 onder de €300.000 ligt, zijn de kosten van een aparte B.V. voor vermogensbeheer doorgaans hoger dan de belastingbesparing. De grens verschuift omlaag als je al een B.V. hebt die je kunt gebruiken.
Aandachtspunten bij inbreng van vermogen in een B.V.
Het onderbrengen van privévermogen in een B.V. kent een aantal specifieke aandachtspunten die in de praktijk regelmatig over het hoofd worden gezien.
Inbreng versus lening
Je kunt vermogen in een B.V. brengen op twee manieren: als kapitaalinbreng (aandelenkapitaal of agio) of als lening aan de B.V. Een lening aan je eigen B.V. valt onder de terbeschikkingstellingsregeling (TBS) van art. 3.92 Wet IB 2001.¹⁴ TBS-inkomsten zijn belast in box 1 tegen het progressieve tarief (tot 49,5%) — niet in box 3. Dat maakt een lening aan de B.V. fiscaal ongunstig als alternatief voor kapitaalinbreng.
Heffingvrij vermogen vervalt deels
Bij inbreng van vermogen daalt je box 3-grondslag. Lag je vermogen dicht bij het heffingvrij vermogen, dan maak je per saldo nauwelijks gebruik van de vrijstelling — maar je draagt nu wel VPB-plichtig vermogen over. Optimaliseer de hoogte van de inbreng dus nauwkeurig.
Zakelijkheidseis bij beleggingen in de B.V.
Een B.V. mag beleggen, maar de Belastingdienst let op of beleggingen zakelijk zijn en of er geen sprake is van "onzakelijke handelingen" die leiden tot een uitdeling. Privébestedingen die via de B.V. lopen, worden als (belast) dividend aangemerkt.
Geen box 3 meer, maar ook geen step-up
Zodra het vermogen in de B.V. zit, verdwijnt de box 3-heffing over dat vermogen. Maar de B.V. heeft ook geen "step-up": als je beleggingen met €50.000 stille winst inbrengt, neemt de B.V. de historische kostprijs over. Bij een latere verkoop betaalt de B.V. VPB over de volledige winst, inclusief de winst die vóór inbreng was opgebouwd. Zie ook de uitleg over stille reserves en omzetting voor de achterliggende systematiek.
De toekomstige wet werkelijk rendement
Het kabinet werkt aan een heffing op basis van werkelijk rendement in box 3, naar verwachting ingaande in 2027 of later.¹⁹ Zodra die wet in werking treedt, vervalt het forfait. Voor spaarders met laag rendement wordt box 3 dan gunstiger; voor beleggers met hoog rendement wordt het zwaarder. Dit verandert de break-even analyse fundamenteel. Wie nu uitsluitend vanwege het box 3-forfait overstapt naar een B.V., loopt het risico dat de aanleiding over een paar jaar wegvalt.
Vuistregel: Beleg je in de B.V. voor de lange termijn en gebruik je vermogen pas na 10+ jaar? Dan zijn de voordelen van de B.V. robuust, ook na invoering van werkelijk rendement. Beleg je voor 5 jaar of korter, wacht dan eerst de nieuwe box 3-wetgeving af vóór je een B.V. opricht louter voor vermogensbeheer.
De gecombineerde belastingdruk in cijfers
Ter vergelijking de gecombineerde druk bij een jaarlijkse beleggingswinst van €30.000 (realistisch rendement op €500.000):
| Situatie | Belasting | Toelichting |
|---|---|---|
| Box 3 (5,88% forfait) | €10.584 | 36% × 5,88% × €500.000; ongeacht werkelijk rendement |
| B.V., geen uitkering | €5.700 | 19% VPB over €30.000 winst |
| B.V., volledige uitkering (schijf 1 box 2) | €10.890 | 19% VPB + 24,5% box 2 op netto €24.300 |
| B.V., volledige uitkering (schijf 2 box 2) | €13.340 | 19% VPB + 31% box 2 op netto €24.300 |
De B.V. zonder uitkering wint het ruimschoots — zolang je het geld in de B.V. laat werken. Bij volledige jaarlijkse uitkering is de totale druk vergelijkbaar met box 3, en bij hoge dividenduitkering zelfs hoger.
Het voordeel zit hem dus in uitstel en compounding, niet in een structureel lager gecombineerd tarief bij uitkering.
Conclusie
Vermogen van box 3 naar een B.V. verplaatsen loont fiscaal als je drie dingen kunt bevestigen: je hebt een substantieel vermogen (>€300.000, liefst meer), je werkelijk rendement ligt structureel boven het box 3-forfait voor beleggingen, en je hebt een beleggingshorizon van minimaal 7 à 10 jaar zonder behoefte aan tussentijdse uitkeringen.
Is aan die drie voorwaarden voldaan, dan is de jaarlijkse belastingbesparing door het uitblijven van box 3-heffing reëel. Gecombineerd met het compounding-effect op het belastingbedrag dat je niet hoeft af te dragen, kan dit op een horizon van 15 jaar een voordeel van honderdduizenden euro's opleveren.
Heb je al een bestaande holding-B.V. na omzetting van je eenmanszaak? Dan zijn de drempelkosten laag en is de afweging snel gemaakt. Ben je een particulier zonder B.V. die uitsluitend voor vermogensbeheer een B.V. wil oprichten, dan verdient de business case zorgvuldige berekening — inclusief de geplande wijzigingen in box 3 die het forfait vervangen door een heffing op werkelijk rendement.
Wil je weten of de stap naar een B.V. voor jouw vermogen de moeite waard is? Plan een gratis adviesgesprek met Hussain of Adal. We maken de berekening op basis van jouw werkelijke vermogensopstelling, rendementsverwachting en beleggingshorizon — en leggen je ook de alternatieve scenario's voor.
