Box 3 is al jaren een belastingpolitiek slagveld. Na de Kerstuitspraak van de Hoge Raad van 24 december 2021⁵ staat vast dat de forfaitaire rendementsheffing in strijd is met het EVRM wanneer het werkelijke rendement lager is dan het forfait. Toch betalen vermogende particulieren in het huidige stelsel nog steeds effectief belasting over forfaitair rendement, en dat rendement ligt structureel hoger dan wat een spaarrekening oplevert.
De vraag die veel vermogende particulieren en DGA's stelt: loont het om vermogen uit box 3 te halen en in een B.V. onder te brengen? Het antwoord is genuanceerd. Onder de juiste omstandigheden kan het jarenlang belasting besparen; onder de verkeerde omstandigheden betaal je meer. Dit artikel rekent het voor. Bekijk ook de box 3-pagina over vermogen naar een B.V. voor de hoofdlijnen van deze route.
Hoe werkt box 3 nu, en waarom is het een probleem?
Box 3 belast het "voordeel uit sparen en beleggen" over de rendementsgrondslag: de waarde van je vermogensbestanddelen op 1 januari minus schulden, boven het heffingvrij vermogen.²⁰ Het belastbaar voordeel wordt berekend via een forfaitair systeem dat de Belastingdienst jaarlijks vaststelt op basis van gemiddelde rendementen per vermogenscategorie.²
In 2025 gelden de volgende forfaitaire percentages:¹⁷
| Categorie | Forfaitair rendement 2025 |
|---|---|
| Banktegoeden | circa 1,44% |
| Overige bezittingen (beleggingen, onroerend goed) | circa 5,88% |
| Schulden | circa 2,46% |
Het belastingtarief over het berekende forfaitaire voordeel bedraagt 36%.⁴
Rekenvoorbeeld: Je hebt €400.000 aan beleggingen en €57.684 heffingvrij vermogen. De rendementsgrondslag is €342.316. Het forfaitaire voordeel is 5,88% × €342.316 = €20.128. Belasting: 36% × €20.128 = €7.246 per jaar, ongeacht wat je beleggingen werkelijk opbrengen.
De Hoge Raad oordeelde in juni 2024 opnieuw dat de heffing over niet-gerealiseerd rendement problematisch is.⁶ Het kabinet werkt aan een stelsel op basis van werkelijk rendement, maar zolang dat niet is ingevoerd, bestaat de prikkel om vermogen uit box 3 te halen.²²
Vuistregel: Als je beleggingen structureel meer opleveren dan het forfait (momenteel circa 5,88% voor beleggingen), is box 3 relatief gunstig. Ligt je werkelijk rendement daar ruim boven, dan is verplaatsen naar een B.V. het overwegen waard.
Wat valt in box 3, en wat niet?
Box 3 belast vermogen dat niet al in box 1 of box 2 valt.¹ ²⁶ Daartoe horen onder meer banktegoeden, beleggingen in aandelen, obligaties en fondsen, cryptovaluta, een tweede woning of verhuurd pand en vorderingen. Schulden mag je aftrekken voor zover ze boven een drempel per persoon uitkomen. De hypotheek op je eigen woning hoort in box 1 en telt hier niet mee.
Drie dingen vallen buiten box 3 en zijn voor deze afweging belangrijk:
- Ondernemingsvermogen van een eenmanszaak of vof. Dat valt in box 1, niet in box 3.²⁶
- Aandelen in je eigen B.V. Bij een belang van 5% of meer is dat een aanmerkelijk belang in box 2.⁹ Wat de B.V. bezit, telt daarom niet mee in je box 3-grondslag.
- Een pand dat je aan je eigen B.V. verhuurt. Dat valt onder de terbeschikkingstellingsregeling in box 1.¹⁴
De grondslag wordt elk jaar vastgesteld op de peildatum van 1 januari.³ Wat je op die dag bezit, bepaalt de heffing over het hele jaar.
Hoe wordt vermogen in een B.V. belast?
Vermogen dat je in een B.V. inbrengt, valt in de vennootschapsbelasting (VPB). De B.V. betaalt VPB over de werkelijke winsten (rente, dividend, huurinkomsten en koerswinsten op beleggingen) zodra die worden gerealiseerd.⁸ De volledige uitleg van tarieven en aftrekposten staat in ons artikel over de vennootschapsbelasting in 2026.
De VPB-tarieven in 2026 zijn:⁷
| Belastbare winst | Tarief |
|---|---|
| Tot en met €200.000 | 19% |
| Boven €200.000 | 25,8% |
Wil je het geld daarna privé gebruiken, dan keer je dividend uit. Dat is belast in box 2 als aanmerkelijk belang (je bezit als DGA doorgaans 100% van de aandelen, dus ruim boven de 5%-grens van art. 4.6 Wet IB 2001⁹). In 2026 kent box 2 een tweeschijvenstelsel:¹²
| Dividend / vervreemdingswinst | Tarief box 2 |
|---|---|
| Tot en met €68.843 per persoon | 24,5% |
| Boven €68.843 | 31% |
Over het uitgekeerde dividend wordt eerst 15% dividendbelasting ingehouden (art. 3 Wet Dividendbelasting 1965¹³), die je verrekent in je aangifte.
De gecombineerde belastingdruk op uitgedeeld vermogen is dus: VPB + box 2. Bij winst onder €200.000 en dividend in de eerste schijf: 19% VPB + 24,5% × (1 - 19%) = 19% + 19,8% ≈ 38,8% totaal. Bij hogere bedragen loopt dit op tot circa 25,8% + 23,0% ≈ 48,8%.
De directe vergelijking: box 3 versus B.V.
De kernvraag is niet alleen wat je betaalt, maar wanneer je betaalt en waarover.
Box 3 belast elk jaar een forfaitair rendement, of je nu winst maakt of niet. Je betaalt belasting over fictief inkomen, en bij vermogensgroei groeit ook de grondslag, en dus de belastingdruk.
Een B.V. belast uitsluitend gerealiseerde winsten. Zolang je beleggingen in waarde stijgen maar je niets verkoopt of uitkeert, betaalt de B.V. in principe geen belasting. Dit is het compounding-voordeel: het volledige rendement wordt geherinvesteerd, zonder jaarlijkse afdraging aan de fiscus.
Rekenvoorbeeld: €500.000 over 10 jaar
Stel: je hebt €500.000 aan vermogen met een werkelijk rendement van 7% per jaar. Je vergelijkt box 3 (5,88% forfait beleggingen, 36% tarief) met een B.V. (VPB 19%, geen uitkering de eerste 10 jaar).
Box 3 (jaar 1 t/m 10):
Jaarlijkse belasting in jaar 1: 36% × 5,88% × €500.000 = €10.584. Dit bedrag stijgt elk jaar mee met de groeiende grondslag. Na 10 jaar heb je in totaal grofweg €130.000–€145.000 aan box 3-heffing betaald, en je vermogen is gegroeid naar circa €938.000 na belasting.
B.V. (jaar 1 t/m 10, geen uitkering):
De B.V. herinvesteert elk jaar het volledige rendement van 7%. Er is geen jaarlijkse box 3-heffing. Na 10 jaar staat er circa €983.000 in de B.V. (vóór VPB bij realisatie). De VPB-claim bestaat, maar is nog niet verschuldigd.
Het verschil na 10 jaar bedraagt ruim €45.000 aan uitgestelde en bespaarde belasting, exclusief het rendement op het belastingbedrag dat je niet elk jaar hoefde af te dragen. Bij hogere rendementen of langere horizons wordt dit voordeel groter.
Vuistregel: Hoe langer de beleggingshorizon en hoe hoger het werkelijk rendement, hoe aantrekkelijker de B.V. De B.V. wint het van box 3 zodra het werkelijk rendement structureel boven het forfait ligt én je vermogen tenminste 5 tot 7 jaar in de B.V. laat staan zonder uitkering.
Wanneer loont het, en wanneer niet?
De B.V. als beleggingsvehikel is niet universeel aantrekkelijk. Er zijn situaties waarin box 3 (ondanks zijn gebreken) goedkoper uitpakt.
Situaties waarin de B.V. loont
- Hoog werkelijk rendement (>7%). Het forfait is relatief laag voor banktegoeden (~1,44%) maar hoog voor beleggingen (~5,88%). Wie boven het forfait rendeert, betaalt in box 3 minder dan zijn werkelijke rendement, maar de B.V. belast alleen het werkelijke rendement. Bij rendementen ruim boven 7% compoundt de B.V. sneller.
- Lange horizon (>10 jaar). Het uitstel van belastingheffing levert pas echt voordeel op als de herinvestering geruime tijd kan doorwerken. Bij een kortere horizon weegt het opstartverlies (notariskosten, jaarlijkse B.V.-kosten) niet op.
- Groot vermogen (>€500.000). De vaste kosten van een B.V. (oprichting circa €1.500–2.500, jaarlijkse administratie €1.500–3.000) zijn procentueel draaglijk bij grotere vermogens, maar vreten bij kleinere vermogens in de belastingbesparing.
- Al een bestaande (holding-)B.V. Als je al een B.V. hebt, als DGA of na omzetting van je eenmanszaak, zijn de drempelkosten nihil. Je vermogen onderbrengen in de bestaande holding is dan een relatief eenvoudige stap.
- Onroerend goed met huurinkomsten. In box 3 wordt vastgoed belast op de WOZ-waarde maal het forfait (circa 5,88%). In een B.V. betaal je VPB over de nettohuurinkomsten. Bij matige huurrendementen en hoge hypotheekrente kan dat gunstiger uitvallen.
Situaties waarin box 3 voordeliger blijft
- Laag werkelijk rendement (spaartegoeden). Voor banktegoeden geldt een forfait van circa 1,44%. Als je werkelijk rendement op je spaargeld 3% is, betaal je in box 3 slechts 36% × 1,44% = 0,52% belasting over de waarde van je spaargeld, terwijl de B.V. VPB betaalt over de volledige 3%. Hier verliest de B.V. het.
- Korte beleggingshorizon (<5 jaar). Wil je het vermogen snel weer privé gebruiken, dan schiet je tekort: je betaalt eerst VPB en daarna nog box 2 bij uitkering. De totale druk kan dan hoger zijn dan box 3.
- Verlieslatende beleggingen. In box 3 betaal je altijd over het forfait, ongeacht verlies, maar die belasting valt relatief mee. In een B.V. verlies je toch VPB-voordeel als winsten uitblijven.
- Vermogen net boven het heffingvrij vermogen. Het heffingvrij vermogen bedraagt in 2026 €59.357 per persoon (€118.714 voor fiscale partners).²⁰ Op een vermogen van €150.000 is de daadwerkelijke heffing beperkt. De vaste kosten van een B.V. overstijgen dan de belastingbesparing.
Vuistregel: Als je vermogen in box 3 onder de €300.000 ligt, zijn de kosten van een aparte B.V. voor vermogensbeheer doorgaans hoger dan de belastingbesparing. De grens verschuift omlaag als je al een B.V. hebt die je kunt gebruiken.
Aandachtspunten bij inbreng van vermogen in een B.V.
Het onderbrengen van privévermogen in een B.V. kent een aantal specifieke aandachtspunten die in de praktijk regelmatig over het hoofd worden gezien.
Inbreng versus lening
Je kunt vermogen in een B.V. brengen op twee manieren: als kapitaalinbreng (aandelenkapitaal of agio) of als lening aan de B.V. Een lening aan je eigen B.V. valt onder de terbeschikkingstellingsregeling (TBS) van art. 3.92 Wet IB 2001.¹⁴ TBS-inkomsten zijn belast in box 1 tegen het progressieve tarief (tot 49,5%), niet in box 3. Dat maakt een lening aan de B.V. fiscaal ongunstig als alternatief voor kapitaalinbreng.
Heffingvrij vermogen vervalt deels
Bij inbreng van vermogen daalt je box 3-grondslag. Lag je vermogen dicht bij het heffingvrij vermogen, dan maak je per saldo nauwelijks gebruik van de vrijstelling, maar je draagt nu wel VPB-plichtig vermogen over. Optimaliseer de hoogte van de inbreng dus nauwkeurig.
Zakelijkheidseis bij beleggingen in de B.V.
Een B.V. mag beleggen, maar de Belastingdienst let op of beleggingen zakelijk zijn en of er geen sprake is van "onzakelijke handelingen" die leiden tot een uitdeling. Privébestedingen die via de B.V. lopen, worden als (belast) dividend aangemerkt. Hoe beleggingen binnen de B.V. zelf worden belast, lees je in ons artikel over beleggingen in een B.V..
Geen box 3 meer, maar ook geen step-up
Zodra het vermogen in de B.V. zit, verdwijnt de box 3-heffing over dat vermogen. Maar de B.V. heeft ook geen "step-up": als je beleggingen met €50.000 stille winst inbrengt, neemt de B.V. de historische kostprijs over. Bij een latere verkoop betaalt de B.V. VPB over de volledige winst, inclusief de winst die vóór inbreng was opgebouwd. Zie ook de uitleg over stille reserves en omzetting voor de achterliggende systematiek.
Spaargeld of beleggingen: maakt dat verschil?
Ja, en een groot verschil. Het forfait voor banktegoeden ligt een veelvoud lager dan dat voor beleggingen. Wie alleen spaart, betaalt in box 3 relatief weinig, terwijl de B.V. vennootschapsbelasting betaalt over de volledige rente. Voor puur spaargeld loont de B.V. daarom zelden. Daar komen drie nadelen bij die specifiek voor geld in de B.V. gelden:
- Het geld zit vast in de B.V. Privé opnemen gaat via een dividendbesluit dat de uitkeringstoets moet doorstaan,²⁸ en kost box 2. Hoe dat werkt, staat in ons artikel over dividendbelasting en box 2.
- Lenen van je eigen B.V. is begrensd. Leen je als DGA meer dan €500.000 van je eigen B.V., dan wordt het meerdere in box 2 belast als fictief dividend.²⁷ Eerst geld in de B.V. stoppen en het dan weer lenen, werkt dus maar tot die grens.
- Een lening áán de B.V. is geen alternatief. Die valt onder de terbeschikkingstellingsregeling, waardoor de rente in box 1 wordt belast.¹⁴
Vuistregel: De B.V. als vehikel voor vermogen loont vooral als je belegt, niet alleen spaart, als het om ruim meer dan €300.000 gaat en als je het geld de komende jaren niet privé nodig hebt.
Box 3 of B.V.: de beslismatrix
| Situatie | Voorkeur |
|---|---|
| Vermogen onder €300.000, geen bestaande B.V. | Box 3: de vaste kosten van een B.V. wegen niet op |
| Horizon korter dan 5 jaar, of je leeft van het rendement | Box 3: er is geen uitstelvoordeel |
| Hoog werkelijk rendement, lange horizon | B.V.: het uitstel van belasting stapelt op |
| Vooral spaargeld | Box 3: het forfait voor banktegoeden is laag |
| Vastgoed met een grote verwachte waardestijging tot verkoop | Box 3: geen VPB over de verkoopwinst |
| Vastgoed met hoge netto huuropbrengst | Afwegen per pand: zie vastgoed in box 3 of in een B.V. |
| Vermogen boven €500.000 zonder directe liquiditeitsbehoefte | B.V.: de kosten zijn relatief klein |
| Je hebt al een (holding-)B.V. | B.V.: de drempelkosten zijn nihil |
Wat doet de omzetting van je onderneming met je box 3-positie?
Wie een eenmanszaak of vof omzet naar een B.V., verplaatst ondernemingsvermogen van box 1 naar de B.V. Het komt daarmee niet in box 3 terecht: het zat er niet in en komt er ook niet in.²⁶ De verandering zit in wat er daarna gebeurt.
De aanwas van je box 3-grondslag remt af. Als IB-ondernemer komt je winst na belasting direct in je privévermogen en verhoogt die op 1 januari daarna je box 3-grondslag. In een B.V. blijft de winst in de vennootschap. Je privévermogen groeit alleen nog met je salaris en met het dividend dat je bewust uitkeert.
De keuzevrijheid bij etikettering verdwijnt. Als IB-ondernemer kun je bepaalde vermogensbestanddelen soms tot het ondernemingsvermogen rekenen. Na de omzetting is alles wat niet in de B.V. zit gewoon privévermogen, en dus box 3.
Verhuur je privé een pand aan je B.V.? Dan valt het onder de terbeschikkingstellingsregeling: de huur wordt in box 1 belast en het pand telt niet mee in box 3.¹⁴ Of dat gunstiger is dan box 3, hangt af van de huur ten opzichte van de waarde van het pand. Reken het per pand door.
Let op de peildatum. De box 3-grondslag staat vast op 1 januari.³ Een omzetting halverwege het jaar verandert niets aan de box 3-heffing over dat jaar. Werkt de omzetting terug tot 1 januari, leg dan in de openingsbalans van de B.V. vast welk vermogen per die datum is ingebracht, zodat je aangifte over dat jaar klopt.
Hoe de omzetting zelf verloopt, lees je op onze pagina over eenmanszaak omzetten naar bv.
Wat is de actuele status van het nieuwe box 3-stelsel?
Volgens het Eerste Kamerverslag van 6 oktober 2026 wordt de eerder voorgestelde beperking van het heffingsvrije vermogen aangepast. Minister Heinen noemt geen vervangend bedrag. Op dat moment wachtte de novelle nog op een uitvoeringstoets en advies van de Raad van State; het spoedadvies werd eind oktober verwacht.²⁴
De Kamerbrief van 15 september 2026 zette vier scenario’s naast elkaar. In de Kamerbrief van 29 september 2026 stelt het kabinet een novelle voor op de Wet werkelijk rendement box 3. Het gaat nog om een voorstel; de huidige box 3-regels blijven gelden totdat het parlement de novelle heeft aangenomen en deze in werking is getreden.²² ²³
| Scenario | Wat ligt er op tafel? |
|---|---|
| Wet werkelijk rendement in 2028 | Invoering in 2028, met aanpassingen aan het bestaande wetsvoorstel. |
| Vermogenswinstbelasting vanaf 2030 | Een route met een vermogenswinstbelasting vanaf 2030. |
| Uitstel tot 2030 | Invoering van het nieuwe stelsel wordt uitgesteld tot 2030. |
| Versnelde route | Een versnelde invoering van een nieuw box 3-stelsel. |
Deze vier routes waren beleidsopties in de brief van 15 september. De brief van 29 september stelt nu voor om vanaf 2028 financiële instrumenten via een vermogenswinstbelasting over gerealiseerde vermogenswinst te belasten. Voor overige vermogensbestanddelen is een volledige overgang in 2030 voorzien. Ook dit is nog geen vastgestelde wetswijziging.²³ Dezelfde brief stelt voor om het heffingsvrij vermogen per 2027 terug te brengen naar € 30.846 en per 2028 een heffingsvrij resultaat van € 1.000 in te voeren. De voorgestelde vermogensgrens wordt volgens het Eerste Kamerverslag van 6 oktober niet de definitieve grens.²³ ²⁴
Een eerdere consultatie noemde 1 januari 2027 als beoogde inwerkingtreding.¹⁹ Die datum hoort bij de eerdere consultatie en is geen geldende ingangsdatum.
De brief geeft nog geen uitgewerkte regels voor alle vermogensbestanddelen, de waardering en de overgang. De precieze behandeling van bijvoorbeeld koerswinsten, vastgoed en het heffingsvrije vermogen kan dus nog wijzigen. Beschrijf 2028 en 2030 als voorgestelde invoeringsmomenten, niet als geldende regels.²³
Wanneer wordt de novelle ingediend en verandert het lage Vpb-tarief?
De beantwoording van 16 oktober 2026 noemt eind oktober als moment waarop de uitvoeringstoets gereed is. Het kabinet kondigt indiening van de novelle met die toets uiterlijk op 2 november aan. Ook het aangepaste dekkingsvoorstel volgt uiterlijk die dag. Voor die dekking heeft het kabinet vooralsnog geen verhoging van het lage Vpb-tarief gekozen.²⁵
Dit is de aangekondigde planning, geen bevestiging dat de novelle al is ingediend of aangenomen. De beantwoording stelt geen nieuw Vpb-tarief vast. Gebruik voor je vergelijking de huidige tarieven en behandel de box-3-novelle als voorstel.²⁵
Vuistregel: Richt je B.V.-beslissing op de huidige box 3-heffing, je verwachte rendement, je beleggingshorizon, de vaste kosten en je behoefte aan privé-opnames. Neem de Kamerbrief mee als scenario, niet als zekerheid over de regels vanaf 2028.²³
De gecombineerde belastingdruk in cijfers
Ter vergelijking de gecombineerde druk bij een jaarlijkse beleggingswinst van €30.000 (realistisch rendement op €500.000):
| Situatie | Belasting | Toelichting |
|---|---|---|
| Box 3 (5,88% forfait) | €10.584 | 36% × 5,88% × €500.000; ongeacht werkelijk rendement |
| B.V., geen uitkering | €5.700 | 19% VPB over €30.000 winst |
| B.V., volledige uitkering (schijf 1 box 2) | €10.890 | 19% VPB + 24,5% box 2 op netto €24.300 |
| B.V., volledige uitkering (schijf 2 box 2) | €13.340 | 19% VPB + 31% box 2 op netto €24.300 |
De B.V. zonder uitkering wint het ruimschoots, zolang je het geld in de B.V. laat werken. Bij volledige jaarlijkse uitkering is de totale druk vergelijkbaar met box 3, en bij hoge dividenduitkering zelfs hoger.
Het voordeel zit hem dus in uitstel en compounding, niet in een structureel lager gecombineerd tarief bij uitkering.
Conclusie
Vermogen van box 3 naar een B.V. verplaatsen loont fiscaal als je drie dingen kunt bevestigen: je hebt een substantieel vermogen (>€300.000, liefst meer), je werkelijk rendement ligt structureel boven het box 3-forfait voor beleggingen, en je hebt een beleggingshorizon van minimaal 7 à 10 jaar zonder behoefte aan tussentijdse uitkeringen.
Is aan die drie voorwaarden voldaan, dan is de jaarlijkse belastingbesparing door het uitblijven van box 3-heffing reëel. Gecombineerd met het compounding-effect op het belastingbedrag dat je niet hoeft af te dragen, kan dit op een horizon van 15 jaar een voordeel van honderdduizenden euro's opleveren.
Heb je al een bestaande holding-B.V. na omzetting van je eenmanszaak? Dan zijn de drempelkosten laag en is de afweging snel gemaakt. Ben je een particulier zonder B.V. die uitsluitend voor vermogensbeheer een B.V. wil oprichten, dan verdient de afweging een berekening op basis van de huidige regels én het voorstel uit de Kamerbrief van 29 september. De novelle is nog niet vastgesteld.²³
Wil je weten of de stap naar een B.V. voor jouw vermogen de moeite waard is? Plan een gratis adviesgesprek met Hussain of Adal. We maken de berekening op basis van jouw werkelijke vermogensopstelling, rendementsverwachting en beleggingshorizon, en leggen je ook de alternatieve scenario's voor.
Bronnen28
- 01Wet inkomstenbelasting 2001, art. 5.1: Belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (box 3)
- 02Wet inkomstenbelasting 2001, art. 5.2: Voordeel uit sparen en beleggen (forfaitaire rendementsheffing)
- 03Wet inkomstenbelasting 2001, art. 5.3: Rendementsgrondslag box 3 (definitie)
- 04Wet inkomstenbelasting 2001, art. 2.13: Tarief box 3 (36%)
- 05Hoge Raad 24 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1963: Kerstuitspraak, box 3 heffing strijdig met EVRM bij reëel rendement lager dan forfait
- 06Hoge Raad 6 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:705: Rechtsherstel box 3; heffing over werkelijk rendement vereist
- 07Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 22: Tarieven vennootschapsbelasting 2026 (19% tot en met €200.000 / 25,8% boven €200.000)
- 08Wet vennootschapsbelasting 1969, art. 8: Belastbare winst besloten vennootschap
- 09Wet inkomstenbelasting 2001, art. 4.6: Aanmerkelijk belang (≥5% criterium)
- 10Wet inkomstenbelasting 2001, art. 4.12: Inkomen uit aanmerkelijk belang (dividend en vervreemdingsvoordelen)
- 11Wet inkomstenbelasting 2001, art. 4.19: Vervreemdingsvoordelen uit aanmerkelijk belang
- 12Wet inkomstenbelasting 2001, art. 2.12: Tarief box 2 2026 (24,5% tot en met €68.843 / 31% boven €68.843)
- 13Wet op de dividendbelasting 1965, art. 1 en 3: Dividendbelasting als voorheffing (15%)
- 14Wet inkomstenbelasting 2001, art. 3.92: Terbeschikkingstellingsregeling (TBS)
- 15Burgerlijk Wetboek Boek 2, art. 175: Oprichting besloten vennootschap
- 16Burgerlijk Wetboek Boek 2, art. 201: Gelijke rechten en verplichtingen van aandeelhouders B.V.
- 17Belastingdienst.nl: Vermogen en aanmerkelijk belang: box 3, geraadpleegd juni 2026
- 18Belastingdienst.nl: Aanmerkelijk belang: belasting betalen over dividend en verkoopwinst, geraadpleegd juni 2026
- 19Internetconsultatie.nl: Consultatiedocument Wet werkelijk rendement box 3 (historische beoogde inwerkingtreding 1 januari 2027), geraadpleegd 18 september 2026
- 20Wet inkomstenbelasting 2001, art. 5.5: Heffingvrij vermogen box 3 (€59.357 per persoon in 2026)
- 21Kamerstukken II 2025/26, 36748: wetsvoorstel Wet werkelijk rendement box 3. Aangenomen door de Tweede Kamer op 12 februari 2026; stemming in de Eerste Kamer uitgesteld na aankondiging van een novelle; beoogde inwerkingtreding 1 januari 2028. Stand 12 september 2026
- 22Ministerie van Financiën: Kamerbrief over box 3, gepubliceerd 15 september 2026, geraadpleegd 18 september 2026
- 23Tweede Kamer: Kamerbrief 'Voorstellen op box 3, koopkracht werkenden en sociale zekerheid', document 2026D47255, ingediend als 2026Z20444, 29 september 2026, geraadpleegd 30 september 2026
- 24Eerste Kamer: Mondeling overleg over box 3, dossier 36.748, 6 oktober 2026, inleiding en Beantwoording, geraadpleegd 7 oktober 2026
- 25Ministerie van Financiën: Schriftelijke beantwoording wetgevingsoverleg I pakket Belastingplan 2027, 16 oktober 2026, kenmerk 2025-0000542250, p. 53 en 55, geraadpleegd 21 oktober 2026
- 26Wet inkomstenbelasting 2001, art. 2.14: Rangorderegeling boxen
- 27Wet inkomstenbelasting 2001, art. 4.14a: Excessief lenen bij eigen vennootschap
- 28Burgerlijk Wetboek Boek 2, art. 216: Uitkeringstoets bij dividend
