Vermogen dat privé blijft in box 3 wordt anno 2025–2026 aangeslagen tegen een effectief tarief van 36% over een forfaitair rendement — ongeacht wat je beleggingen daadwerkelijk opbrachten. Vermogen in een B.V. wordt belast tegen 19% of 25,8% vennootschapsbelasting, waarna je bij dividenduitkering nog eens 24,5% of 31% box 2-heffing betaalt. Welke structuur goedkoper is, hangt volledig af van je tijdshorizon, je verwacht rendement en hoe snel je het geld privé nodig hebt.
Dit artikel rekent beide routes door en geeft concrete handvatten voor de beslissing.
Hoe werkt box 3 in 2025?
Box 3 belast "voordeel uit sparen en beleggen."¹ De grondslag is de rendementsgrondslag: de waarde van je bezittingen minus je schulden op 1 januari van het belastingjaar.² Boven het heffingvrij vermogen van €57.684 per persoon (2025) wordt een forfaitair rendement toegepast.³ ¹³
De Belastingdienst hanteert per 2023 een verfijnd stelsel na het Kerstarrest van de Hoge Raad (24 december 2021), waarbij de B.V. het bestaande forfaitaire stelsel in strijd oordeelde met het Eerste Protocol bij het EVRM voor belastingplichtigen wier werkelijke rendement lager was dan het forfait.¹¹ Het rechtsherstel leidde tot een stelsel met drie vermogenscategorieën met eigen forfaits: banktegoeden (laag, fluctuerend), beleggingen en overig spaargeld (hoger), en vastgoed.¹² ²¹
Voor 2025 liggen de forfaits ruwweg als volgt (de definitieve percentages worden jaarlijks bij beschikking vastgesteld):¹³
| Categorie | Forfaitair rendement 2025 (indicatief) |
|---|---|
| Banktegoeden | ~1,44% |
| Beleggingen en overig | ~5,88% |
| Onroerend goed | ~6,17% |
Over dit forfaitaire rendement betaal je 36% inkomstenbelasting (box 3-tarief).¹ ²³ Bij een beleggingsportefeuille met een waarde van €500.000 bedraagt de belasting dus: €500.000 × 5,88% × 36% = €10.584 — ongeacht of je beleggingen 8% of 2% hebben opgebracht.
Het grote discussiepunt voor 2026 en verder: de wetgever werkt aan een stelsel op basis van werkelijk rendement (Wet Werkelijk Rendement Box 3), maar de exacte invoeringsdatum en vormgeving zijn bij het schrijven van dit artikel (juni 2026) nog niet definitief vastgesteld.²¹ Wie structureel meer rendement behaalt dan het forfait, profiteert juist van het huidige stelsel. Wie minder rendement behaalt, betaalt relatief te veel.
Vuistregel: Box 3 is voorspelbaar maar ongericht — je betaalt altijd over het forfait, los van werkelijk resultaat. Dat maakt het voor actieve beleggers met hoog rendement gunstig, en voor spaarders of beleggers in een slechte marktfase nadelig.
Hoe werkt beleggen via een B.V.?
Een B.V. is een zelfstandige rechtspersoon die zelf belastingplichtig is voor de vennootschapsbelasting (VPB).⁵ Beleggingsresultaten — rente, dividend, koerswinst, huuropbrengsten — vallen in de jaarwinst van de B.V. en worden belast tegen:⁴ ¹⁴
| Winst B.V. | VPB-tarief 2025 |
|---|---|
| Tot €200.000 | 19% |
| Boven €200.000 | 25,8% |
De B.V. heeft geen heffingvrij vermogen en geen jaarlijks forfait. Iedere euro winst wordt belast — maar uitsluitend over werkelijk behaald resultaat. Niet-gerealiseerde koerswinsten worden pas belast bij realisatie.
Wanneer je als aandeelhouder met meer dan 5% van de aandelen (aanmerkelijk belang) dividend ontvangt uit de B.V., houdt de B.V. 15% dividendbelasting in als voorheffing.⁷ ⁸ Deze dividendbelasting is volledig verrekenbaar met de te betalen box 2-belasting.⁹ Box 2 kent twee schijven (2025):⁶ ¹⁵
| Box 2-inkomen | Tarief 2025 |
|---|---|
| Tot €67.804 per persoon | 24,5% |
| Boven €67.804 per persoon | 31% |
Fiscale partners kunnen de grens van €67.804 verdubbelen naar €135.608 als het dividend gelijkelijk aan beiden wordt toegerekend.⁶
Een belangrijk voordeel van de B.V. is de verliesverrekening: verliezen kunnen worden verrekend met winsten uit eerdere of latere jaren, met grenzen (art. 20 Wet VPB 1969).¹⁶ In box 3 bestaat geen vergelijkbaar mechanisme: ook een negatief rendement resulteert in nul belasting, maar levert nooit een aftrekpost op.
Vuistregel: De B.V. belast altijd werkelijk resultaat. Bij verlies betaal je niets. Bij hoog rendement betaal je alleen over het daadwerkelijk behaalde resultaat — wat bij sterk presterende portefeuilles gunstiger kan zijn dan het forfaitaire stelsel van box 3.
Gecombineerde belastingdruk: B.V. + box 2 vs. box 3
De vraag "box 3 of B.V.?" draait in essentie om het vergelijken van de effectieve gecombineerde belastingdruk. Die is niet eenvoudig: het hangt af van wanneer en hoeveel dividend je uitkeert.
Scenario 1: Direct uitkeren als dividend
Je behaalt €50.000 rendement in de B.V. en keert dit direct uit als dividend.
| Stap | Berekening | Bedrag |
|---|---|---|
| Rendement in B.V. | €50.000 | |
| VPB 19% | –€9.500 | €40.500 |
| Dividendbelasting 15% (voorheffing) | –€6.075 | €34.425 |
| Box 2 over €40.500 (24,5%) | –€9.922 | |
| Min verrekening dividendbelasting | +€6.075 | |
| Netto box 2 bijbetaling | –€3.847 | |
| Netto ontvangen | €30.578 |
Effectieve totale belastingdruk: ca. 38,8% over het rendement van €50.000.
Scenario 2: Rendement blijft in de B.V. (geen dividenduitkering)
Je behaalt hetzelfde €50.000 rendement maar laat het volledig in de B.V. staan — voor herinvestering of vermogensopbouw.
| Stap | Bedrag |
|---|---|
| Rendement in B.V. | €50.000 |
| VPB 19% | –€9.500 |
| Netto rendement voor herinvestering in B.V. | €40.500 |
Effectieve belastingdruk dit jaar: 19%. Box 2 wordt uitgesteld tot het moment van dividenduitkering — wellicht over 10 of 20 jaar, of bij liquidatie. Het uitgestelde kapitaal van €40.500 rendeert volledig door, inclusief rente-op-rente op het uitgestelde belastingbedrag.
Scenario 3: Datzelfde vermogen privé in box 3
Dezelfde belegger heeft €500.000 aan beleggingen privé in box 3. Forfaitair rendement: 5,88%. Belastbaar fictief inkomen: €29.400. Belasting: 36% × €29.400 = €10.584 — ongeacht of het werkelijke rendement €50.000 of €5.000 was.
Bij een werkelijk rendement van €50.000 in box 3 betaal je dus €10.584, wat neerkomt op een effectieve druk van 21,2% over het werkelijke rendement. Dat is gunstiger dan zowel scenario 1 als scenario 2 als je het geld direct wil consumeren.
De scheidslijn: Box 3 wint op totale druk als je het geld direct nodig hebt én het werkelijke rendement significant hoger is dan het forfait. De B.V. wint zodra je bereid bent dividenduitkering uit te stellen en het rendement te herinvesteren.
Concrete doorrekening: €500.000 beleggingsvermogen, 7% rendement
Ondernemer Bas heeft €500.000 beschikbaar voor beleggingen en verwacht gemiddeld 7% rendement per jaar. Hij vergelijkt twee opties: privé in box 3 of in een beleggings-B.V.
Optie A: Privé beleggen in box 3 (2025)
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Beleggingsvermogen | €500.000 |
| Werkelijk rendement (7%) | €35.000 |
| Forfaitair rendement (5,88%) | €29.400 |
| Box 3-belasting (36% × €29.400) | –€10.584 |
| Netto rendement privé | €24.416 |
| Effectieve druk op werkelijk rendement | 30,2% |
Optie B: Beleggen via B.V. — winst blijft in B.V. (geen dividend)
| Post | Bedrag |
|---|---|
| Beleggingsvermogen in B.V. | €500.000 |
| Werkelijk rendement (7%) | €35.000 |
| VPB 19% | –€6.650 |
| Netto rendement in B.V. (voor herinvestering) | €28.350 |
| Effectieve druk dit jaar | 19% |
Als Bas het rendement laat staan in de B.V., houdt hij €28.350 over voor herinvestering — versus €24.416 privé. Over 20 jaar compoundt het verschil van €3.934 per jaar aanzienlijk. Bij liquidatie of dividenduitkering betaalt Bas nog box 2, maar het uitgestelde kapitaal heeft in de tussentijd geld opgeleverd.
Wanneer loopt box 3 beter uit?
Box 3 is voordeliger als:
- Je het rendement jaarlijks privé wilt consumeren (geen uitstelvoordeel B.V.)
- Je werkelijke rendement structureel lager is dan het B.V.-tarief gecombineerd met toekomstige box 2 (bij lage rendementen wint het forfaitaire box 3-systeem het van VPB + box 2)
- Je vermogen relatief klein is (de oprichtings- en beheerskosten van een B.V. — minimaal €2.000–€4.000 per jaar — wegen niet op tegen het belastingvoordeel)
Vuistregel: Reken voor je concrete situatie: als het werkelijke rendement boven ca. 5–6% ligt én je een tijdshorizon van meer dan 5–7 jaar hebt waarbij je niet elk jaar dividend nodig hebt, slaat de B.V. vrijwel altijd gunstiger uit dan box 3 — zeker bij grotere vermogens.
Vastgoed: box 3 of B.V.?
Vastgoed is een bijzondere categorie omdat de B.V.-route extra complexiteit meebrengt die in puur beleggende situaties minder speelt.
In box 3 valt verhuurvermogen in de categorie "overig onroerend goed" met een indicatief forfait van ca. 6,17% (2025).¹ ¹³ Op de WOZ-waarde van een verhuurde woning van €400.000 is dat €24.680 forfaitair rendement, belast tegen 36% = €8.885 belasting per jaar — ongeacht of de huurinkomsten plus waardestijging meer of minder bedragen.
In een vastgoed-B.V. worden huurinkomsten en gerealiseerde verkoopwinsten belast tegen 19% of 25,8% VPB.⁴ Daarna volgt box 2 bij dividenduitkering. Voordeel: kosten (rente, onderhoud, afschrijving) zijn aftrekbaar van de VPB-winst.⁵ Afschrijving op verhuurde panden is echter beperkt: een B.V. mag niet afschrijven beneden de WOZ-waarde (art. 3.29a Wet IB 2001, van toepassing via art. 8 Wet VPB 1969).⁵
Bij verkoop van vastgoed in een B.V. valt de volledige boekwinst in de VPB-heffing. Bij verkoop van privévastgoed dat als belegging kwalificeert, is de meerwaarde in box 3 in beginsel vrijgesteld in het jaar van verkoop (het forfait loopt alleen over de waarde op 1 januari, niet over gerealiseerde winsten gedurende het jaar). Dat is een wezenlijk verschil ten voordele van box 3 voor waardegroei-beleggers die incidenteel verkopen.
Meer over de structuureisen voor vastgoed in een B.V. lees je in ons artikel over eenmanszaak omzetten naar B.V..
Hoe verloopt de overgang van privévermogen naar een B.V.?
Privévermogen — spaargeld, aandelen, obligaties — kan niet zomaar belastingvrij in een B.V. worden ingebracht. Een inbreng van privévermogen in een B.V. wordt beschouwd als een storting op aandelen en leidt niet direct tot belastingheffing over de inbrengwaarde zelf, maar het vermogen is daarna eigendom van de B.V.¹⁹
Fiscale aandachtspunten bij inbreng privévermogen:
- De inbreng van reeds aangekochte beleggingen kan leiden tot staking in box 3 per inbrengdatum en is geen ruisende of geruisloze omzetting (die routes zijn specifiek voor IB-ondernemers met winst uit onderneming).¹⁸
- Bestaande aankoopprijs van effecten (verkrijgingsprijs) verschuift naar de B.V. Als de B.V. later verkoopt boven die prijs, betaalt zij VPB over de meerwaarde.
- Voor DGA's die een operationele B.V. hebben: overweeg of de beleggingen onderbrengen in een holdingvennootschap gunstiger is dan in de werkmaatschappij. Bij een holdingstructuur geldt mogelijk de deelnemingsvrijstelling (art. 13 Wet VPB 1969), waarmee dividenden en koerswinsten van dochterdeelnemingen belastingvrij zijn bij de holding.¹⁷
Vuistregel: Inbreng van privévermogen in een B.V. is geen fiscaal aftrekbare handeling en kost op zichzelf geen belasting, maar het toekomstige rendement wordt daarna belast via VPB + box 2 in plaats van box 3. Bereken eerst de meerjarige belastingdruk voordat je dit doet.
Box 3 of B.V.: de beslismatrix
| Situatie | Voorkeur |
|---|---|
| Vermogen < €200.000 | Box 3 (kosten B.V. wegen niet op) |
| Tijdshorizon < 5 jaar, jaarlijkse consumptie rendement | Box 3 (geen uitstelvoordeel) |
| Hoog werkelijk rendement (>7%), lange horizon | B.V. (uitstelvoordeel compoundt) |
| Vastgoed met grote latente meerwaarde bij verkoop | Box 3 (geen VPB over verkoopwinst) |
| Vastgoed met hoge netto huurinkomsten | B.V. (kosten aftrekbaar, VPB-tarief laag schijf) |
| Vermogen > €500.000, geen directe liquiditeitsbehoefte | B.V. (schaal maakt kosten relatief) |
| Fiscale partner aanwezig | Box 3 aantrekkelijker (dubbel heffingvrij vermogen) |
| Bestaande operationele B.V. (holding) | B.V. (deelnemingsvrijstelling mogelijk) |
Conclusie
Box 3 en de B.V. zijn geen universele concurrenten: ze passen bij verschillende profielen. Box 3 is eenvoudig, voorspelbaar en voordelig voor wie jaarlijks rendement consumeert of een korte tijdshorizon heeft. De B.V. is structureel goedkoper voor wie rendement langdurig accumuleert en bereid is dividenduitkering uit te stellen — omdat de gecombineerde VPB + box 2-druk bij uitgesteld dividend lager uitvalt dan de box 3-belasting over het forfaitaire rendement.
Het omslagpunt ligt voor de meeste beleggers bij een combinatie van vermogen boven €300.000–€500.000, een verwacht rendement van boven de 5%, en een horizon van minimaal 7–10 jaar. Onder die grens zijn de vaste kosten van een B.V. (notaris, accountant, loonadministratie DGA) een remmende factor die het belastingvoordeel deels wegeet.
Wil je weten welke structuur voor jouw specifieke vermogen en rendementsverwachting het meest oplevert? Onze adviseurs (ex-EY, Deloitte en KPMG) rekenen het voor je door. Plan een vrijblijvend gesprek.
